Japan; Milieuvriendelijk zakendoen

Japan, gastheer van de komende internationale klimaatconferentie, zoekt naar methoden om minder afhankelijk te worden van olie. Milieu is handel geworden, onder meer voor autoproducent Toyota.

JAPANSE BEDRIJVEN proberen in toenemende mate concurrentievoordeel te behalen uit milieuvriendelijke producten. Het ministerie van Handel en Industrie geeft grote subsidies aan fundamenteel onderzoek op energiegebied, terwijl autofabrikanten met zeer zuinige motoren op de markt komen en experimenteren met nieuwe energiebronnen.

“Vanuit het buitenland reageren mensen soms verbaasd op de onderzoeken waarmee we bezig zijn, maar die zijn dan ook gericht op de zeer lange termijn.” Mitsuru Takeshita kan een lichte ondertoon van miskenning niet onderdrukken. Het onderzoeksinstituut NEDO, de New Energy and Industrial Technology Development Organization in Tokio - waar hij vice-directeur is van de afdeling milieutechnologie - is een semi-overheidsorganisatie, opgericht na de oliecrises van de jaren zeventig. Het zwaartepunt lag destijds bij het onderzoek naar alternatieve energiebronnen, zoals zon, wind, golfslag, waterstof en de warmte van de aarde zelf. Het doel is Japan minder afhankelijk te maken van de politiek gevoelige oliestroom uit het Midden-Oosten.

Japan is voor tachtig procent van zijn energiebehoefte afhankelijk van import, hoofdzakelijk olie. De enige eigen delfstof van Japan is steenkool, maar de mijnen zijn inmiddels gesloten wegens de hoge kosten. Japan heeft vijftig kerncentrales. Er bestaan plannen er nog eens twintig bij te bouwen. De overheid heeft ontdekt dat ze geen CO2 of andere broeikasgassen uitblazen en daarmee 'milieuvriendelijk' zijn.

De NEDO krijgt zijn financiering geheel van het Japanse ministerie van Internationale Handel en Industrie (MITI) en heeft dit jaar ruim vijf miljard gulden te besteden. Ondanks de roep om bezuinigingen in Japan stijgt het budget van NEDO volgend jaar nog eens met 38 procent tot 7,2 miljard gulden. Ter vergelijking: het Nederlandse ministerie van Economische Zaken heeft een budget van 3 miljard gulden.

Met het groeiende gewicht van milieuproblemen heeft het instituut in 1990 ook een afdeling milieutechnologie gekregen. Daar wordt onder meer naar micro-organismen en algen gezocht die, net als bij de fotosynthese van planten, onder invloed van zonlicht in een speciale 'bioreactor' grote hoeveelheden CO2 kunnen binden. Het organische materiaal uit de bioreactor zou vervolgens weer kunnen dienen als mest- en brandstof, of als grondstof voor chemicaliën.

De nadruk bij het onderzoek van de afdeling milieutechnologie ligt op methoden als deze om de hoeveelheid kooldioxide, de grootste bron van het versterkte broeikaseffect, in de atmosfeer te verminderen. Behalve aan de inmiddels 'gevestigde' alternatieve energiebronnen denkt men voor vermindering van de CO2-uitstoot inmiddels ook aan het gebruik van micro-organismen bij energie-opwekking. Onderzoek is gaande naar het gebruik van micro-organismen voor de productie van waterstof, die bij gebruik als brandstof alleen water achterlaat. Wegens beperkte beschikbaarheid is grootschalig gebruik van waterstof momenteel nog slechts toekomstmuziek. Een andere methode is de activiteit van micro-organismen via manipulatie van de genen direct aan te wenden voor de productie van chemicaliën. Andere energiebronnen zouden daarmee worden gespaard.

Daarnaast richt de afdeling milieutechnologie zich op de verwerking van CO2, dat voorlopig zeker nog vrij zal komen bij energie-opwekking met bijvoorbeeld steenkool. Behalve met het onderzoek naar binding van CO2 in micro-organismen is men bezig met de ontwikkeling van een membraan om CO2 uit rookgassen terug te winnen. Voor deze teruggewonnen kooldioxide wordt enerzijds gezocht naar methoden voor hergebruik, bijvoorbeeld omzetting in methanol dat wederom als brandstof kan dienen, anderzijds denkt men aan opslag op de oceaanbodem. Proeven zijn op komst naar methoden om CO2 in vaste vorm te binden, om het vervolgens te dumpen in de oceaan. Het is daarbij de vraag hoe de stof zich in grote diepten zal gedragen.

Takeshita wil zich nog geenszins uitlaten over de economische en technische haalbaarheid van de programma's van NEDO. Het onderzoek van de organisatie als geheel levert momenteel aan inkomsten uit patenten nog niet meer dan 1,5 miljoen gulden op.

Maar NEDO is dan ook geen commercieel bedrijf. Wél uitermate commercieel is autoproducent Toyota, het afgelopen jaar nummer één op de jaarlijks gepubliceerde lijst van grootste belastingbetalers in Japan. Dat er wel winst is te maken met aandacht voor milieu laten de nieuwste reclames zien van het bedrijf met als slogan: Toyota Eco Project. Symbool van deze campagne is een boomblaadje waaruit een kind de vorm van een auto lijkt te hebben uitgeknipt: een 'groene auto'. Als men de slogans van het bedrijf ziet, lijkt een auto in het geheel geen milieuvervuilend industrieel product meer te zijn.

Cijfers van de Japanse regering laten zien dat de stijging van energieverbruik zich vooral voordoet bij het groeiende personenvervoer, waaronder privé-auto's. In de afgelopen twintig jaar is dit verbruik met een factor 2,5 gestegen, terwijl de energieconsumptie van de industrie ongeveer gelijk is gebleven. Een adviescommissie van de regering heeft dan ook al voorgesteld een prijsverhoging met twintig procent voor benzine door te voeren om de verhoogde CO2-uitstoot tegen te gaan. Zo zal het publiek zelf binnenkort wellicht brood zien in enige vorm van milieubewust autorijden.

Daarop afgestemd is de 'eco'-campagne rondom het nieuwe model Prius van Toyota, waarvan binnenkort voor het eerst een auto met de recent geopenbaarde 'hybride-motor' op de markt komt. Deze hybride motor combineert een benzinemotor en elektromotor waardoor volgens het bedrijf zelfs het benzineverbruik, en dus de hoeveelheid schadelijke uitlaatgassen, wordt gehalveerd. De verkoop van deze auto begint precies op de laatste dag van de grote klimaatconferentie in Kyoto, 10 december, hetgeen volgens woordvoerder Shin Kanada van Toyota “puur toeval” is.

Duidelijk bewijst de campagne dat het bedrijfsleven tegenwoordig geld ziet in het tonen van milieubewustzijn. “Wij zijn niet in een positie om het broeikas-effect te betwisten”, zegt Kanada ter verklaring. “Als deskundigen stellen dat er genoeg reden is om voorzorgsmaatregelen te nemen, dan moeten we dat doen.” En dus zijn er vanuit het Japanse bedrijfsleven geen stemmen die het broeikaseffect bestrijden.

De Nihon Keizai Shinbun (Japans Economisch Dagblad) heeft de milieustrategie van Toyota al bestempeld als een methode van het bedrijf om de Amerikaanse concurrentie voorbij te streven. Na General Motors en Ford is Toyota nummer drie op de wereldranglijst van autoproducenten en het zou met de Prius toch zeker de nummer twee, Ford, willen passeren. Met negatieve citaten van topmannen van Ford en General Motors over internationale regels over de beperking van uitstoot van broeikasgassen, veroordeelt de Japanse krant impliciet de negatieve houding van sommige Amerikaanse bedrijven.

Kanada bagatelliseert deze strategische interpretatie van de Nihon Keizai Shinbun en reageert slechts met de opmerking: “Concurrentie is gezond.” Intussen zijn wel alle Japanse autoproducenten druk bezig met de productie van motoren als de hybridemotor van Toyota waarmee de uitstoot van schadelijke gassen wordt beperkt. Zo openbaarde Honda onlangs een Zero Level Emission-motor die zo weinig uitlaatgassen zou produceren dat hij in smoggebieden zelfs een luchtzuiverende werking zou hebben. Ook Mitsubishi laat zich voorstaan op “verbeteringen in energieverbruik ter voorkoming van het broeikaseffect”.

Kanada noemt deze ontwikkelingen, ook de eigen hybride motor die binnenkort op de markt komt, toch slechts een overgangsfase. “Er komt weer een revolutie vergelijkbaar met de industriële revolutie”, meent Kanada. Toyota is bezig met onderzoek op een groot aantal gebieden. Zo werkt het bedrijf onder meer aan auto's die worden aangedreven met elektriciteit, methanol, zonne-energie en waterstof. Maar voor de toekomst van de auto wijst hij zonder aarzeling maar één energiebron aan: brandstofcellen waarin zonder enig bewegend onderdeel uit waterstof en zuurstof energie wordt opgewekt. De enige 'afvalstof' die resteert is water. Deze techniek werd al toegepast in de Apollo-raketten maar is momenteel nog niet geschikt voor de afmetingen van een auto. Toch zegt Kanada resoluut: “Dat is de toekomst voor de auto-industrie.” Op dit specifieke onderzoeksterrein ziet Kanada maar één concurrent: niet de grote Amerikaanse autoproducenten, maar het Duitse Mercedes-Benz dat naar verluidt in 2005 een auto met deze techniek klaar heeft.