In Liefde Bloeyende

Joan van Broekhuizen (1649-1707)

Aan de gedachten

Gezwinde dochters van nooit maalens moede zinnen

Gedachten, die u zelfs in duizend vormen giet

Tuchthoudsters heusch in schyn, wanhebbelyk van binnen

Waarom verlaat gy my ook in myn droomen niet?

Of is de slaap, de slaap, die 't alles kan beleezen

Die 't al betoov'ren kan, in klem van uw gewelt?

En moet ik u by nacht, en u by dag dan vreezen

Die my by dag en nacht uw wilde wetten stelt?

Postloopsters zonder toom, onmogelyk om hooven

Spoorbystere gezin, onzeker, ongewis;

My dwingt uw onbescheid om zeker te gelooven

Dat waaken droomen, en dat droomen waaken is.

ls de gezwinde dochters van zintuigen die nooit moe worden van malen - wentelen, woelen - worden de gedachten in de eerste regel aangesproken. In de tweede regel heet het dat ze zich in duizenden vormen weten te gieten. Rusteloos en ongrijpbaar zijn deze gedachten dus - en toch heel concreet. Het gaat niet om een symbolische vergelijking tussen slapen en waken in dit gedicht. De slotconclusie

Dat waaken droomen, en dat droomen waaken is

heeft nauwelijks betrekking op het bij dichters zo geliefde thema Droom is het leven, anders niet - het gaat hier niet om een metafoor, hier wordt op een klinische wijze een zielstoestand beschreven.

Joan van Broekhuizen - neo-latinist en minor poet uit de nabloei van de zeventiende eeuw - spreekt in dit gedicht zijn gedachten toe. Hij bezit er blijkbaar veel. Hij omschrijft ze als snel, onvermoeibaar, altijd wisselend. Naar de schijn lijken ze de zaak onder controle te hebben, als heuse tuchthoudsters, maar in wezen zijn ze ordeloos, wanhebbelyk. Ze teisteren hem tot in zijn dromen.

De dichter kent de slaap een grote macht toe. De slaap weet alles te belezen, dat wil zeggen ritueel uit te drijven of, in een zwakkere betekenis, te kalmeren. Maar de slaap die alles bezweert en betovert kan zijn gedachten niet tot bedaren brengen. Zelfs zij - de almachtige - is er de slaaf van. De dichter gebruikt hier woorden als geweld en wilde wetten. Hij heeft het dus over dwingende gedachten, steeds terugkerende gedachten. De dichter gebruikt hier het woord vrezen. Hij heeft het dus over ongewenste gedachten. Ze laten hem geen moment - bij dag en bij nacht - met rust.

Nu, dit lijkt geen ode op de gedachtenrijkdom van de mens of op zijn vlijtige voorstellingsvermogen. Vaak worden gedachten als een loffelijk bezit voorgesteld

Va pensiero, sull'ali dorate

als een bron van hoge vluchten, van liefde of opbouwende wijsheid. Joan van Broekhuizen herinnert er ons aan dat onder ons schedeldak ook stofnesten en vernietigende duivels huizen.

Niet altijd gaan gedachten op adelaarsvleugels. Ze strompelen soms. Ze kwellen en ontstellen. Of ze draaien, simpelweg, in een kringetje. Alleen al door hun eeuwige terugkeer - nooit malensmoe - matten ze ons af. Dezelfde hardnekkige gedachte vermomt zich in steeds andere formuleringen - in duizend vormen - en gunt ons geen moment van rust. Het zijn jagende gedachten die van geen verdoving willen weten. Die zelfs de op één na grootste verdover, de slaap, in hun wurggreep houden. In klem.

Veel gedachten, tobberige gedachten - het gedicht zou over de melancholie kunnen gaan. Toch geloof ik dat de dichter iets sterkers beoogt. Hij ziet zijn gedachten als iets onvermoeibaar vermoeiends - ze gunnen de moeheid geen ogenblik de triomf van de slaap. Dit lijkt me geen ode op de gedachtenweelde of een gedicht op de melancholie, dit lijkt me een poëtische kenschets van de dwangneurose.

Eeuwen voor de psychologie er een naam voor bedacht beschreven dichters het verschijnsel al. Zo ook hier. In zijn slotstrofe laat Joan van Broekhuizen er geen twijfel over bestaan dat hij het over ontregelde en ontregelende gedachten heeft.

Hij noemt ze - als echo van tuchthoudsters heusch in schyn - allereerst postloopsters zonder toom. Op hol geslagen koeriers of postiljons. Onbeteugelde berichtenbrengers.

Onmogelyk om hooven noemt hij ze onmiddellijk daarop. Ik denk dat dit zoiets betekent als: onmogelijk om een vast verblijf te vinden.

Spoorbystere gezin heten ze, in de compacte opeenvolging, tenslotte - met gezin in de betekenis van gezindte, troep, gezelschap, volgelingen. Inwonenden die eigenlijk niet kunnen inwonen. Boodschappers die teugelloos rondrennen.

Gedachten zonder houvast, zonder basis, zonder richting. Voortvluchtig, chaotisch. Boodschappen die nergens gedeponeerd kunnen worden, zodat niemand weet wat de boodschap inhoudt. Onzeker, ongewis.

Ondanks hun ongewisheid zijn ze onstuitbaar, gewelddadig en urgent - dwanggedachten. Zodra we dit hebben begrepen gebruikt de dichter in de voorlaatste regel zelf het woord dwingt. Al zijn onzekere dwanggedachten bij elkaar dwingen hem door hun onbescheid - dat wil zeggen door hun gekte en roekeloos gedrag - uiteindelijk tot één zekere gedachte. De vraag van regel vier

Waarom verlaat gy my ook in myn droomen niet?

wordt in de slotregel trefzeker, gewis en standvastig beantwoord. Wakker zijn en dromen is één en hetzelfde. De zorgen van de nacht zijn de zorgen van de dag. Van die neurose komt de ware tobber nooit af.