Geen rol Wereldbank bij Nederlandse hulp aan Suriname

DEN HAAG, 27 NOV. De Nederlandse regering weigert de Wereldbank in te schakelen voor de besteding van nog uitstaande financiële hulp ten behoeve van Suriname. Dat zou in strijd zijn met het Raamverdrag van 1992 met Suriname waarin beide landen nadrukkelijk voor samenwerking kozen.

Bovendien moet de band tussen Nederland en Suriname die dat verdrag weergeeft niet worden verbroken. De spanningen tussen de twee landen worden ook niet bepaald door het overleg over de besteding van de Nederlandse hulp, want dat is tot nu toe goed verlopen. Meer dan dat: de Wereldbank heeft ook niet de specifieke kennis die voor de bespreking van de projecthulp voor Suriname nodig is.

Met deze argumenten hebben de ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) gisteren in de Tweede Kamer een voorstel van de CDA'er Verhagen afgewezen om de Wereldbank in te schakelen. Verhagen, die voor zijn voorstel aanvankelijk enige voorzichtige bijval van de PvdA, D66, GroenLinks en GPV had gekregen, had de Nederlands-Surinaamse relatie daarmee willen “verzakelijken” en het dreigende “opdrogen” van de hulp willen voorkomen. Tevens zou het volgens hem de huidige regering in Paramaribo een mogelijkheid hebben ontnomen om Den Haag te verwijten neokoloniaal gedrag te vertonen.

Maar Van Mierlo zei niet de indruk te willen wekken dat Nederland van “een moeilijke taak” af wil. “Men geneest de geschiedenis niet door er voor weg te lopen”, zei hij. De “grote spanning” met Suriname wordt niet veroorzaakt door meningsverschillen over de Nederlandse hulp, maar heeft andere oorzaken. De regering is bereid de betrekkingen met Suriname te bespreken met president Wijdenbosch, mits dat hier gebeurt en niet, zoals deze twee weken geleden eiste, in Paramaribo. Wat Van Mierlo betreft is dan “alles bespreekbaar”, maar hij liet er geen twijfel over bestaan dat de problemen in de relatie niet aan Nederland liggen.

Sinds Den Haag een half jaar geleden besloot tot vervolging van oud-legerleider en adviseur van staat Bouterse (wegens drugshandel en het witwassen van daarmee verdiend geld) en via Interpol een internationaal arrestatieverzoek tegen hem liet uitgaan, heeft Nederland volgens Van Mierlo Suriname op “geen enkele manier” geprovoceerd. “De relatie tussen twee landen moet niet afhankelijk worden gemaakt van een proces dat functioneert in een rechtsstaat”, zei hij. Verwijten uit Paramaribo over Nederlandse betrokkenheid bij de vermeende couppoging, vorige maand, tegen de Surinaamse regering noemde de minister “bespottelijk”.

Uit de fracties van VVD en CDA was erop aangedrongen excuses voor zulke verwijten van de Surinaamse regering te eisen, maar dat vond Van Mierlo niet nodig: “De drempel voor Suriname ligt wat lager dan voor andere landen”. Hij zei nog steeds niet te weten of het werkelijk om een couppoging was gegaan of om een voorgenomen wraakactie binnen het Surinaamse drugsmilieu en verzuchtte dat de Surinaamse regering daarover “zo snel mogelijk duidelijkheid moet geven”.

De Surinaamse regering dient ook snel een initiatief te nemen voor het gesprek over de betrekkingen dat Wijdenbosch twee weken geleden op een persconferentie in Paramaribo eiste, zeiden Pronk en Van Mierlo. Na die mondelinge eis en de afgelasting van een voor begin december gepland bezoek van Pronk aan Suriname, is in Den Haag nog geen enkel nader officieel bericht binnengekomen.

Pronk waarschuwde dat de tijd dringt nu voorlopig geen afspraken kunnen worden gemaakt over voorgenomen hulpprojecten (1996: 196 miljoen, eerste tien maanden '97: 120 miljoen gulden). Voorbeeld daarvan is een bedrag van negentig miljoen voor een urgent agrarisch ontwikkelingsplan, waarover Den Haag en Paramaribo het op hoofdzaken eens zijn. Van een uit het Raamverdrag thans resterend bedrag van 750 miljoen is 270 miljoen “gecommitteerd, maar nog niet uitgegeven”.