Dopingschandaal met Limburgse sportarts

MAASTRICHT, 27 NOV. De Geleense huisarts Wim Sanders, die onder meer de PDM-wielerploeg medisch heeft begeleid, heeft er tot voor kort een duistere nevenpraktijk als dopingarts op nagehouden. Dat kwam gisteren aan het licht voor de rechtbank in Maastricht, waar de arts terechtstond omdat hij een deel van zijn inkomsten had verzwegen voor de fiscus. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van een jaar, waarvan de helft voorwaardelijk.

Tijdens het onderzoek door de fiscale rechercheurs van de FIOD hebben assistentes van Sanders verklaard dat zij in de jaren 1990 tot 1996 met grote regelmaat verboden middelen als EPO, amfetamine, testosteron en andere hormoonpreparaten hebben toegediend aan sportlieden die de praktijk van Sanders na sluitingstijd bezochten. De cliënten waren leden van de PDM-ploeg, Limburgse amateurs, bodybuilders, atleten en spelers van de ijshockeyploeg Smoke Eaters uit Geleen.

De vijf ondervraagde assistentes hebben onder meer de namen genoemd van oud-wereldkampioen bij de amateurs Danny Nelissen, Marc van Orsouw, Pascal Appeldoorn. Sommige assistentes wisten niet beter dan dat er vitaminepraparaten in de spuiten zaten die zij op verzoek van Sanders moesten toedienen.

De meeste medicijnen ging Sanders zelf halen in België, bij een apotheek in Sint Truiden. Voor andere middelen ging hij naar Duitsland of naar twee apotheken in zijn woonplaats Geleen. Zo bestelde hij de afgelopen jaren tenminste 178 ampullen Eprex, de merknaam voor het middel erythropoietine (EPO), waarmee bij nierpatiënten de groei van rode bloedcellen worden gestimuleerd. De bestellingen van Eprex en andere stimulerende middelen werden zwart afgerekend of via een valse factuur, waarop legale medicijnen vermeld stonden, gedeclareerd bij zorgverzekeraars. Op soortgelijke wijze werden ook de behandelingen van de sportlieden afgerekend.

Het gebruik van EPO, dat tot ernstige bloeddrukverhoging en trombosevorming kan leiden wordt vaak aangemerkt als de mogelijke doodsoorzaak van achttien wielrenners sinds het eind van de jaren tachtig. Onder hen was een renner van de PDM-ploeg, Johannes Draaijer, die in 1990 aan een hartstilstand overleed. Twee andere PDM-renners, onder wie oud-wereldkampioen Rudy Dhaenens, hebben hun carrière vroegtijdig moeten beëindigen wegens hartritmestoornissen. Een rechtstreeks verband tussen EPO-gebruik en de plotselinge dood van de renners is nooit bewezen omdat er nog geen waterdichte methode bestaat om de aanwezigheid van EPO in bloedmonsters op te sporen.

Uit het FIOD-onderzoek dat in samenwerking met de Limburgse Huisartsenvereniging is uitgevoerd om de privacy van patiënten te waarborgen, blijkt dat Sanders geen nierpatiënten had die Eprex kregen voorgeschreven.

In 1991 kwamen Sanders en de PDM-ploeg in opspraak toen alle leden van de ploeg plotseling ziek naar huis gingen. Eerst werd gezegd dat de renners bedorven kip hadden gegeten. Later gaf PDM toe dat via een infuus een bedorven voedingsmiddel (intralipid) was toegediend. De ploegleiding, die zich volgens manager Manfred Krikke nooit heeft verzet tegen het gebruik van verboden middelen, ontsloeg Sanders op staande voet.

Voor de rechtbank kwam gisteren aan het licht dat die zaak nog een financieel staartje kreeg. Toen Sanders na zijn ontslag dreigde opening van zaken te geven over de medische begeleiding van de PDM-ploeg, kreeg hij alsnog een zwijggeld van 125.000 gulden, waarvan 75.000 gulden zwart werd uitbetaald. Krikke heeft vanmorgen in het Dagblad De Limburger verklaard dat Sanders bij zijn aantreden als teamarts de instructie had gekregen dopingaffaires te vermijden. Van een dopingverbod was volgens de manager geen sprake. “Toen we PDM oprichtten, spraken we met elkaar af dat we niet de meest ethische ploeg van het peloton zouden worden”, aldus Krikke.

Voorzover bekend loopt er geen strafrechtelijk onderzoek tegen Sanders wegens het toebrengen van lichamelijk letsel. Wel staat vast dat hij de beroepscode voor sportartsen heeft geschonden. In die code spreken alle Nederlandse sportartsen af dat zij niet ingaan op verzoeken van sportlieden om verboden stimulerende middelen toegediend te krijgen.