Bronnen in Nieuw Guinea drogen op

De extreme droogte in Papoea Nieuw Guinea doet bronnen opdrogen en dwingt mensen verontreinigd rivierwater te drinken. “Als de regens niet komen, hebben we geen alternatief dan te vertrekken.”

GUSIORE/GIBONAI, 27 NOV. Servius zit op zijn hurken. Op zijn schouders zijn zoontje. Terwijl hij praat, ontrafelt hij de resten van een draagtas gemaakt van touw. Servius is dorpshoofd ofwel bikman van Gusiore: “We hebben geen groenten meer”, zegt Servius. “Onze sago-tuin is drie uur lopen en we moeten steeds dieper graven om bij het water te komen dat nodig is om de sago te verwerken.” Allan, een van de ouderen die naast Servius zit, ook al met een jongetje in zijn nek, wijst op het huis waar we naast zitten. “Het water zit net zo diep als dat huis hoog is.”

Gusiore is een 175 inwoners tellend dorpje aan de oever van de Elevala rivier, een zijstroom van de grote Fly rivier, twee uur varen stroomopwaarts vanaf het mijnstadje Kiunga in het uiterste westen van Papoea Nieuw Guinea, tegen de grens van de Indonesische provincie Irian Jaya. Door de extreme droogte in Indonesië en Papoea Nieuw Guinea veroorzaakt door El Niño, een klimatologische afwijking rond de Stille Oceaan, dreigt er volgens de Australische ontwikkelingshulporganisatie AusAid hongersnood voor 600.000 mensen alleen al in Papoea Nieuw Guinea.

Servius zegt dat er op dit moment nog geen honger is in Gusiore. Er is nog sago, wild en vis. “Water is ons grootste probleem,” zegt hij. “Onze bron is bijna droog en het water van de rivier durven we normaal niet te gebruiken. Maar nu al hebben alle kinderen en ouderen diarree omdat we wel moeten.”

De mannen van het dorp staan op om de bron te laten zien. Het dorp, een stuk of vijftien houten, wijd uit elkaar staande paalwoningen, ligt op een heuvel aan de rivier. Er is een basketbalveldje en een kliniek, een wit geschilderd huis, bemand door een 'gezondheidswerker', maar die is vanochtend vertrokken naar Kiunga.

De gids, Samuel Kepuknai, een vriendelijke jongeman van een jaar of dertig (“Ik weet niet hoe oud ik precies ben, want ik ben geboren voordat de beschaving kwam,” zegt hij met lichte ironie), is afkomstig uit de streek bevolkt door leden van het Awin volk. “Vroeger woonden we midden in de jungle. Maar de Australische regering heeft er in de jaren zestig, toen we nog een kolonie waren van dat land, voor gezorgd dat alle dorpen verplaatst werden naar de oevers van de rivieren om het gebied makkelijker bestuurbaar te maken.”

De 'bron' van het dorp bestaat uit een schamele straal water van een bijna opgedoogt beekje. Servius wijst op de algen in het water en de rode muggenlarven die er in rondzwemmen. “Dit water is eigenlijk niet goed meer. Algen en muskieten horen er niet in thuis. Het smaakt slecht. Maar we hebben niets anders.”

De dorpelingen van Gusiore vertellen dat zij teleurgesteld zijn door de hulpverlening van AusAid. In de afgelopen weken hebben helikopters van het Australische leger aan dorpen die er het ergst aan toe zijn rijst, meel en bakolie geleverd. “Ze zouden hier ook komen,” zegt Servius, “we hebben speciaal een grasveldje aangelegd, maar de helikopters zijn niet gekomen.” Als we vertrekken naar het volgende dorp overhandigen jongens die tevoorschijn komen uit een van de huizen, twee levende zoetwaterschildpadden aan hun gasten. “Als de regens niet komen, hebben we geen ander alternatief dan te vertrekken naar Kiunga,” zegt de dorpsleider.

In Gibonai, een dorp twee uur verderop aan de Fly-rivier, is de situatie niet veel anders dan in Gusiore. De 210 inwoners leven voornamelijk nog van sago en vlees, terwijl het verontreinigde water een diarree-epidemie veroorzaakt onder de kleine kinderen en ouderen. Onderweg heeft de gids Samuel verpleegkundige Harin opgepikt, die langs de oever van de rivier stond te wachten op een gemotoriseerde kano richting Kiunga. Harin waakt over de gezondheid van drie dorpen, in totaal meer dan 600 mensen. Diarree is niet de enige kwaal waarmee de bevolking in dit gebied te kampen heeft. “Het eenzijdige dieet en het drinken van verontreinigd water tast de weerstand van de meeste mensen aan. Bovendien moeten ze harder werken om aan hun dagelijks voedsel te komen. Men raakt zo langzamerhand uitgeput. Malaria is enorm toegenomen de afgelopen maand. Bovendien zie ik ineens veel oog- en oorontstekingen. Ook zijn er meer huidinfecties bij kinderen. De afgelopen weken zijn vier mensen overleden: twee aan tuberculose in de buikholte, één aan meningitis en van de vierde weet ik de doodsoorzaak niet precies, omdat ik daar niet bij was.”

Gibonai ligt er verlaten bij. Slechts een handjevol mensen hangt rond op het kort gesneden grasveld in midden van het dorp. Alle anderen blijken aan de overkant van de rivier aan het werk te zijn in de sago-tuin. Dominee Airon vertelt dat het dorp getroffen is door een ramp: “Onze sago-tuin is vorige week afgebrand. Wat er nog over is van de sago-palmen, zijn we snel aan het oogsten.”

Aan de overkant leidt een smal kronkelpad door het oerwoud naar de sago-tuin. Normaal liggen de sago-palmen in een moeras. Er is dan voldoende water aanwezig om het sago-meel te winnen uit de losgeklopte pulp. Maar het moeras staat droog en daarom moeten de mensen van Gibonai de sago verwerken aan de oever van de rivier. Daar staan een stuk of vijf vrouwen de roze sago-pulp te spoelen in grote filters gemaakt van stokken en grote palmbladeren. In het bos moeten we regelmatig uitwijken voor kinderen en vrouwen, sommigen in traditionele rieten rokjes, die met zware zakken sago-pulp op hun rug op weg zijn naar de rivier.

In de buurt van de zwartgeblakerde sago-tuin hangt nog steeds een doordringende brandlucht. Veel palmen zijn omgevallen. In de stammen zijn proefgaten geboord om te zien of het binnenste van de palmen nog bruikbaar is. “Alleen het bovenste gedeelte van de bomen, dat het minst is aangetast door de brand, is nog bruikbaar,” zegt een man die in zijn eentje een stam zit lost te kloppen. Hij gebruikt een houten hamer aan het uiteinde versterkt door een leeg blikje waarin makreel heeft gezeten. Verderop zijn nog meer mensen het werk. Er scharrelt een varken rond. Drie vrouwen zijn bezig met een boom, kleine kinderen spelen in de ashopen in de buurt. Dominee Airon wijst op de ravage en zegt: “Er is misschien nog voor een paar weken voorraad. Daarna weten we niet meer wat we moeten doen.”

    • Frank Vermeulen