Beiroet gaat weer in zaken

Libanon herstelt zich in hoog tempo van de burgeroorlog die het land van 1975 tot 1990 vernielde, en zet de financiële markt van Beiroet weer op poten. Nasser Saïdi, vice-president van de Centrale Bank, verwacht dat Libanon opnieuw een financieel centrum voor het Midden-Oosten kan worden. In sommige delen van Libanon zijn de vooruitzichten echter minder florissant.

Eens in de twee à drie maanden horen de inwoners van Beiroet 's avonds of 's nachts een harde knal die de grond in de zuidelijke wijken doet trillen. Op een lege heuvel aan de zuidkant van de stad, waar tien jaar geleden nog groepjes Palestijnen woonden, werpt een Israelisch jachtvliegtuig een projectiel af. “Ongerust word je er niet meer van”, zegt minister van Financiën Fouad Siniori. “Ze vliegen over Zuid-Libanon en laten hier ook nog even weten dat ze er nog zijn en dat ze ons gevoelig kunnen raken.”

De Libanese hoofdstad ziet eruit als het beeld van Zadkine in Rotterdam: het hart eruit, een witte zandvlakte vol bouwkranen en steigers waarop hard gewerkt wordt aan de renovatie van stukgeschoten gebouwen, nieuwbouw, wegen en tunnels. Het stadshart van Beiroet wordt gereconstrueerd, inclusief het financiële centrum waaraan Libanon ooit zijn bijnaam 'het Zwitserland van het Midden-Oosten' ontleende.

Diezelfde functie krijgt dit kleine Arabische land met zijn 3,1 miljoen inwoners dat geografisch en politiek beklemd zit tussen Syrië en Israel, niet meer terug, verwacht de econoom Nasser Saïdi, vice-president van Banque du Liban (de Centrale Bank). “Wel kan onze groeiende kapitaalmarkt weer een financieel centrum worden voor het Midden-Oosten, maar dan vooral gericht op investment banking. Ons strategisch doel is om het centrum van een spinneweb voor buitenlandse ondernemingen te worden, waar het kapitaal voor de investeringsprojecten in deze regio en de Golfstaten zich verzamelt, waar de herstructurering van schulden wordt geregeld en privatiseringsprojecten worden gefinancierd.”

Minister Siniori wijst op “de hoge kwaliteit” van de financiële dienstverlening die Beiroet biedt, door het onderwijsniveau, de talenkennis en de ondernemingsgeest van de Libanezen. “Daar komt een politiek element bij: onze positie in het vredesproces. Die is kwetsbaar, maar tegelijk zijn wij voor onze maatschappelijke en economische ontwikkeling zeer gebaat bij opheffing van de Israelische bezetting in Zuid-Libanon. Dat probleem is een zware last voor ons, het is niet zonder Syrische steun op te lossen. Politieke en economische deskundigen in de Arabische landen hebben een speciale focus op Libanon: ze willen telkens weten wat wij van de ontwikkeling van het vredesproces vinden. Libanon speelt een belangrijke rol in de vorming van de publieke opinie in de Arabische wereld.”

De Libanese regering acht zich “verbonden” met het vredesproces, zegt Siniori. “Zestien jaar burgeroorlog hebben ons geleerd dat de militaire optie volstrekt faalt als middel om conflicten op te lossen. Helaas beseft de Israelische leider Netanyahu nog niet dat we in het vredesproces een historisch en strategisch moment hebben bereikt om een compromis te sluiten, want vrijwel alle Arabische landen willen dat. Voor de hele regio zijn er verwachtingen gewekt: vrede brengt economische opleving en verbetering van levensomstandigheden. U zou eens in Zuid-Libanon moeten kijken wat dat voor onze mensen betekent. Ook de Israelische bevolking snakt naar vrede, maar Netanyahu lijkt nog te sterk beïnvloed door een oud-testamentische periode.”

Nasser Saïdi heeft uitgerekend dat er buiten het Midden-Oosten, vooral in de Verenigde Staten en Europa, zo'n 800 miljard dollar aan kapitaal zweeft dat beschikbaar is voor investeringen, “waarvan het meeste zeer liquide”. “Een flink deel kan in het Midden-Oosten en Noord-Afrika een bestemming vinden, in de Golfstaten, hier in Libanon en vlak om ons heen als het vredesproces wordt vlotgetrokken.”

De Libanese economie herstelt zich snel sinds 1992, toen de huidige premier, de zakenman en miljardair Rafiq Hariri, aantrad. Jaarlijks groeit het bruto nationaal inkomen in een tempo van 6 tot 8 procent. De relatief kleine Libanese banken gaan meer en meer samenwerken en trekken al zoveel privé-kapitaal aan dat ze het in Libanon zelf niet allemaal kunnen uitlenen. Grote bedragen vloeien naar de wederopbouw en de overheid investeert fors in het herstel van publieke voorzieningen als het onderwijs, gezondheidszorg, het politie-apparaat en het leger dat overal een oogje in het zeil houdt. In de Beka'a-vallei moet bijvoorbeeld een rebellie tegen de regering onder aanvoering van de radicale pro-Iraanse sjeik Sobhi Tufaili onder controle worden gehouden.

Dat herstelbeleid gaat gepaard met grote schulden. “Je kunt niet anders in een fase van wederopbouw”, legt Saïdi uit. “In deze periode moet je het hebben van leningen, die later als het beter gaat, terugbetaald kunnen worden. Onze totale schuld is 12 miljard dollar, waarvan slechts 2 miljard buitenlandse schuld. Vergelijk dat eens met de reserves van de Centrale Bank, inclusief goud, van 9,9 miljard dollar. De Libanese schuld ligt nog steeds beneden het gemiddelde van de landen in de wereld die zich ontwikkelen. Belangrijker is de rentelast. Die vormt geen probleem, die is niet te groot.”

Niettemin moet premier Hariri, die een wankel evenwicht in zijn coalitie van moslims, Ba'ath-socialisten, aanhangers van de Syrisch-nationalistische partij, druzen en onafhankelijke zakenlieden handhaaft, op eieren lopen. Hij is voor alle belangrijke beslissingen afhankelijk van de grote broer Syrië, die een streng politiek en militair toezicht uitoefent in Libanon. En in het parlement ontmoet Hariri stevige kritiek op de hoge overheidsuitgaven, niet alleen van de christelijke oppositie.

“Daartegenover staat dat zich ook weer een stijging in de overheidsinkomsten aftekent”, schetst Saïdi. “Belastingverhoging, om dit proces te versnellen, zou nu uit den boze zijn. Dat ontneemt burgers en bedrijven de lust om zich harder in te spannen en van de private sector moeten we het juist hebben. Libanon heeft altijd de meest liberale en open economie gehad van de hele regio en die eigenschap blijven we koesteren. Onze economie is net zo open als de Nederlandse. Het investeringsklimaat is gunstig, met lage belastingen, vrije kapitaalstromen en sinds enkele jaren weer een actieve effectenbeurs. De koppeling van het Libanese pond aan de dollar helpt bij het herstel van de monetaire stabiliteit en het terugdringen van de inflatie, die in 1992 nog meer dan 100 procent was en dit jaar op 8,5 procent staat.”

Daardoor heeft Libanon in de periode na de burgeroorlog veel buitenlands kapitaal kunnen aantrekken: per jaar 6 tot 7 miljard dollar, waarvan de helft volgens Saïdi afkomstig is van de miljoenen Libanezen en hun nazaten in het buitenland die een deel van hun verdiensten naar hun geboorteland sturen waar het bij familie, in investeringen, beleggingen of op bankrekeningen terechtkomt.

De Libanese handelsgeest en het gebrek aan kostbare grondstoffen zoals olie en gas in eigen land bracht al vroeg een emigrantenstroom naar de Golfstaten en alle werelddelen op gang die na de Tweede Wereldoorlog door militaire conflicten in de regio en de Libanese burgeroorlog nog werd versterkt. “In feite exporteren wij zakenlieden”, zegt Nasser Saïdi. “Daardoor is de omvang van de Libanese economie veel groter dan wat je hier om je heen ziet. Onlangs hoorde ik bijvoorbeeld dat Libanezen in Roemenië een exportcentrum hebben opgericht dat tweederde van de Roemeense uitvoer voor zijn rekening neemt. Voor de export van Roemeense goederen naar Afrika en het Arabische schiereiland hebben ze Libanese banken in de arm genomen die deze stroom volledig financieren. Daar zie je een voorbeeld van het Libanese entrepreneurschap.”

Tijdens Libanons gouden decennia, de jaren '50 en '60, was Beiroet een handelscentrum met de daarbij aangepaste financiële dienstverlening: voornamelijk handelsbanken. “De handel zorgt nog steeds voor 70 procent van ons bruto nationaal product, terwijl we ook 70 procent van onze consumptiegoederen importeren”, zegt Saïdi. “Maar intussen zijn er overal in de buurlanden banken gevestigd die onze taak van destijds hebben overgenomen. Nu is het zaak onze financiële dienstverlening te concentreren op investeringen, waaraan overal in de regio grote behoefte bestaat. Kijkt u maar naar de Golfstaten waar grote energie- en industriële projecten op stapel worden gezet.”

Op de korte termijn ziet Saïdi de beste kansen in het buurland Syrië. “Het Syrische beleid voor liberalisering, privatisering en opening van de economie biedt een belangrijke kans voor uitbreiding van de financiële markt van Beiroet.”

Saïdi's Banque du Liban staat in een wijk met veel kantoren, winkels en appartementen waar driftig wordt opgeknapt. Het andere Libanon is te vinden in het zevende district van Beiroet: een mistroostige, arme wijk waar nog geen begin gemaakt is met de herbouw van de talloze half ingestorte gebouwen en woningen vol kogelgaten. Hier zorgt Hezbollah, de fundamentalistische, militante shi'itische partij die met negen man in het Libanese parlement is vertegenwoordigd, voor de allerarmste bewoners. Wie onvoldoende inkomsten heeft om de woonlasten te betalen krijgt van Hezbollah een toelage en dat schept bij verkiezingen een band. Ook steunt de beweging de Islamic Health Society, die ziekenhuisjes in Beiroet en enkele regio's exploiteert ten behoeve van de bevolking en “Steun aan het Verzet tegen de Zionistische bezetting” verleent. Tegelijkertijd roept Hezbollah in kranten meer vrijwilligers op voor de strijd in Zuid-Libanon.

Het 'informatiekantoor' van Hezbollah, gevestigd in een oude portiekwoning die alleen insiders weten te vinden, wordt geleid door een sjeik uit een van de Zuid-Libanese dorpen. Tot een gesprek is hij wel bereid, maar een interview zit er niet in en ook mag zijn naam niet in de krant. Dat recht is voorbehouden aan commandant Nabil Qaouk, maar die heeft het te druk in de door Israel bezette grensstreek in het zuiden, waar de beweging net een serie successen heeft geboekt met aanslagen en autobommen die het leven kostten aan een tiental Israelische soldaten en enkele guerrillastrijders uit eigen gelederen.

Portretten van Qaouk en secretaris-generaal Sayyed Hassan Nasrallah van Hezbollah prijken op vlaggen en posters bij elk kruispunt in het zevende district. Doel van Hezbollah is “de bevrijding” van Zuid-Libanon, maar officieel blijft onduidelijk of dat ook het uiteindelijke doel zal zijn. In Zuid-Libanon profileert de beweging zich met strijdvaardige affiches en de boodschap Israel must be destroyed. Net als de beweging Hamas in de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en Jericho zal Hezbollah zich nooit uit eigen beweging in het vredesproces schikken, omdat men het fundamanteel oneens is met Yasser Arafats compromisbereidheid.

In een gesprek met The Daily Star, een Engelstalig dagblad in Libanon zegt Nabil Qaouk: “Ons verzet (in het zuiden) heeft van de Israelische oorlogsmachine een aanfluiting gemaakt. Hoe meer Israeliërs wij doden, hoe meer wij de tweedracht onder hen zaaien. De toekomst zal een steeds nauwere samenwerking en integratie tussen de verzetsgroepen laten zien.” Over de steun die de beweging uit Iran en Syrië ontvangt ligt een dikke deken van geheimhouding. Volgens het rapport Lebanon 1997-98 van de Oxford Business Group, een jaarlijkse analyse van de politieke en economische ontwikkelingen in het land “wordt momenteel aangenomen” dat Iran zo'n 100 miljoen dollar per jaar aan Hezbollah betaalt, waarvan het grootste deel aan humanitaire projecten van de partij zou worden besteed. De Hezbollah-sjeik haalt zijn schouders op als hij daarvan kennisneemt.

De strijd in Zuid-Libanon komt de Syrische president Assad goed uit, benadrukken diverse waarnemers in Beiroet, want daarmee houdt hij Israel onder druk om uiteindelijk de concessie te bereiken die Damascus eist: teruggave van de bezette Golan-hoogte. Maar hoeveel levens zal die politiek nog kosten en ontstaat er op deze manier wel ooit uitzicht op vrede? Kan de Libanese regering zich niet een sterkere positie verschaffen door naleving af te dwingen van haar eigen wetten die het bezit en gebruik van wapens buiten het leger verbieden?

Minister Siniora ontpopt zich bij dergelijke vragen als een hardliner: “Syrië is momenteel voor ons geen issue. Israel is dat wel, zij eisen van ons dat we Hezbollah en alle andere verzetsgroepen verbieden. Dat zou voor Israel wel een erg comfortabele positie betekenen, we zouden het hun erg makkelijk maken. Wij willen geen oplossing zonder Syrië, ons belangrijkste buurland. Dat is ook in het belang van onze bevolking, dus zullen wij het laatste land zijn dat een vredesverdrag tekent. Het offeren van levens voor het verzet is ons recht, dat gebeurde toch ook in uw land tijdens de Tweede Wereldoorlog? Voor de bevrijding moet je een prijs betalen.”

    • Theo Westerwoudt