Als ik de waarheid vertel maak ik illusies kapot

Soms voel ik me gespleten. Als ik in het Westen ben uit ik kritiek op Westerse feministische ideeën over Midden-Europa. Thuis onthoud ik me van die kritiek en richt ik me op de heersende antifeministische stereotypen in mijn eigen land, de Tsjechische Republiek. Mijn impopulariteit lijkt een tweesnijdend zwaard.

Dertig jaar geleden nam ik ook deel aan zulke Oost-West-discussies. Destijds was het onderwerp het socialisme: studenten aan Westerse universiteiten verbeeldden zich dat demonstraties en linkse politieke gedachten op een of andere manier heil zouden brengen. Ik, die ervaren had wat het 'reëel bestaande socialisme' inhield, kon hen alleen maar teleurstellen en hun illusies ontzenuwen.

Veel Westerse feministes denken in eenzelfde trant als de linkse studenten van de jaren '60. Ze passen grove generalisaties toe op heel verschillende (en doorgaans irrelevante) situaties. Over het geheel genomen is hun werk wellicht nuttig, omdat het in de Midden-Europese debatten een verscheidenheid van gedachten inbrengt die van wezenlijk belang is voor mensen die vroeger leefden in de steriele omgeving van een totalitair regime, en die hun aangewende conformisme maar moeilijk kwijtraken. Echter, het leven van vrouwen in West- en Oost-Europa is zo verschillend dat Westerse feministische opvattingen hier niet zomaar in te voeren zijn.

Veel Westerse feministen kunnen geen afstand doen van het geloof dat de val van het socialisme schadelijk is geweest voor vrouwen, of hen althans heeft 'teruggeworpen' in het verleden. Zij achten het een pluspunt van het oude regime dat meer vrouwen in de socialistische parlementen zaten, dat vrouwen 'gratis' medische zorg kregen, dat zij posten bekleedden die voorheen aan mannen waren voorbehouden en dat de maatschappelijke positie van vrouwen stabieler was. Deze mening wordt gedeeld door sommige vrouwen in de Tsjechische Republiek en vooral door vrouwen in die post-communistische landen waar de levensstandaard nu lager lijkt dan onder de communisten.

Ik probeer mijn Westerse collegae natuurlijk de waarheid te vertellen omtrent de positie van vrouwen in het 'reëel bestaande socialisme'. Maar als ik dat doe maak ik alleen illusies kapot, het naïeve geloof dat onder de nu afgedankte regimes een oplossing voor de ondergeschikte rol van de vrouw was gevonden.

De onzekerheden van nu doen het verleden fraaier schijnen dan het was. De oorzaak van alle verwarde herinneringen aan de socialistische tijd is het gebrek aan stabiliteit nu. De totalitaire staat hield de misdaad beperkt, of maakte die althans minder zichtbaar. Corruptie volgde ingesleten paden en het leven leek veiliger omdat het voorspelbaarder was. In een situatie van schijnbaar onophoudelijke verandering en flux is het niet verwonderlijk dat vrouwen stabiliteit en sociale waarborgen identificeren met een oppermachtige regering.

De waarheid is dat de positie van vrouwen in de Tsjechische Republiek sinds 1989 zowel beter als slechter geworden is. De werkgelegenheid voor vrouwen is met ongeveer 3 procent gedaald. Uitkeringen voor alleenstaande moeders zijn verlaagd en het is moeilijker geworden om via de rechter alimentatie los te krijgen. Er zijn minder maatregelen die de gelijkheid van vrouwen actief bevorderen. En het aantal vrouwen in de politiek is teruggelopen.

Men vergeet echter gemakkelijk dat onder het socialisme alle besluiten - belangrijk of niet - werden genomen in een politburo dat vol oude mannen zat. Daarbij weet iedereen nu wat die socialistische 'gratis' medische zorg voorstelde. En wat door vrouwen verricht werk betreft: dat werd slecht betaald. Het staatspaternalisme, niet alleen tegen vrouwen gericht, prentte zijn onderdanen een hulpeloosheid in waaraan veel van onze huidige problemen te wijten zijn.

Hoewel veel mensen blij zijn met de nieuwe perspectieven die voor hen geopend zijn, staat men vaak nog enigszins tweeslachtig tegenover de paternalistische, totalitaire staat. Men hoort vrouwen vaak klagen dat de nieuwe, democratische autoriteiten te zwak zijn om hen te helpen of effectief te beschermen. Het lijkt een vicieuze cirkel.

Een totalitaire staat zal nooit het soort pluralistische, democratische samenleving stimuleren die door haar aard de staatsmacht beperkt. Een zwakke staat kan echter het slachtoffer worden van belangengroepen, corruptie en criminaliteit en zo de burger dwingen zich terug te trekken op het soort traditionele structuren die vrouwen vroeger onder de duim hielden. Zo'n staat kan hen die niet kunnen concurreren niet beschermen en niet in hun behoeften voorzien. De zwakken zijn dus geneigd terug te verlangen naar een sterke staat.

Niettemin heeft bij de parlementsverkiezingen van 1997 in de Tjsechische Republiek de meerderheid van de vrouwen op de centrum-rechtse regeringspartijen gestemd. Met hun stembiljet verklaarden ze zich vóór voortzetting van het proces van politieke democratisering en de invoering van een markteconomie. Ze hebben een voorkeur uitgesproken voor een efficiënte boven een sterke staat. Ze lijken bereid voor die efficiëntie en een toegenomen persoonlijke vrijheid een aantal maatschappelijke waarborgen in te ruilen.

Westerlingen, feministisch of niet, zouden zich van die bereidheid rekenschap moeten geven. Dat een meerderheid van de Midden-Europese vrouwen staatsbescherming afwijst en concurrentie aanvaardt, is een belangrijker gegeven dan het percentage vrouwen in de directie van grote banken of de verhouding tussen vrouwen die economy dan wel business class vliegen.

    • Jirina Siklova