Ach zou die school er nog wel staan...

Tegenwoordig doen ze het niet meer zo, maar aan het begin van deze eeuw werden scholen nog wel eens 'inpandig' gebouwd - geheel door een huizenblok omgeven. Zo'n school is de uit 1916 daterende Nicolaas Maesschool in Amsterdam-Zuid, een gebouw dat met de omliggende gebouwen één geheel vormt in stijl en atmosfeer.

Maar misschien moeten we binnenkort schrijven: “Zo'n school was de uit 1916 daterende Nicolaas Maesschool...”, want Stadsdeel Zuid wil het gebouw slopen om er iets voor in de plaats te zetten dat meer lijkt op een golfplaten hangar dan op een openbare basisschool. Zo'n hedendaagse doos zou temidden van de instant-architectuur van een nieuwbouwwijk wellicht nog tot zijn recht komen, maar omgeven door de karakteristieke Amsterdamse-Schoolbebouwing gaat het gebouw dan geen 'dialoog' meer aan, maar een permanent twistgesprek.

De Nicolaas Maesschool is een stoer gebouw met karakteristieken die later zo kenmerkend zouden worden voor de Amsterdamse School, stelt ingenieursbureau Vlaardingerbroek & Wevers in een bouwkundig rapport. “Het metselwerk is voorzien van kleine ornamenten in de vorm van verglaasde koppen en gekleurde tegels. Andere opvallende en te waarderen kwaliteiten vormen de zorgvuldig vormgegeven ingangen, de opvallende bekleding van de bovenverdieping en het trappenhuis in het interieur.”

Het gebouw heeft monumentale waarde. Dat wordt onderschreven door de architectuur-historicus Wladimir Stissi, co-auteur van een recente monografie over Michel de Klerk. Het ontwerp is een resultaat van de samenwerking tussen jonge architecten van de in die tijd internationaal geprezen dienst Publieke Werken (PW) van de gemeente Amsterdam.

Tussen de vijftien scholen die de groep destijds ontwierp, neemt de Nicolaas Maesschool volgens Stissi “zowel stilistisch als typologisch” een bijzondere plaats in. Daarnaast maakt het 'inpandige' karakter de school uniek, evenals de “opvallende, zakelijke en vrije volume-opbouw, die heel modern aandoet”.

De school werd destijds opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van Amsterdam. Om de indruk van te grote massiviteit op het binnenterrein te vermijden, kozen de ontwerpers voor de bovenste bouwlaag voor een “grintcementen afwerking die zo modern aandoet dat men haast zou zeggen dat zij later is toegevoegd”. En dat is precies wat het Stadsdeel Zuid de ouders van leerlingen en omwonenden steeds als reden voor nieuwbouw heeft voorgehouden: de school zou verzakken doordat er later een verdieping zou zijn opgebouwd.

Wèl is het gebouw beschadigd door het gemeentelijk ingrijpen in 1975-1976: de houten kruiskozijnen zijn toen vervangen door kunststof exemplaren, een lichtkolom blijkt met een staalconstructie te zijn volgebouwd en aan de noordzijde is een aanbouw gemaakt. Op die ingrepen baseert het Stadsdeel de noodzaak om het pand niet langer als monument te erkennen. Maar restauratie, zo weerlegt Vlaardingerbroek & Wevers, is niet alleen heel goed mogelijk, het geniet uit architectuur-historisch oogpunt de voorkeur: “Zeker het exterieur en het trappenhuis verdienen bescherming.”

Wat drijft bestuurders om dit gebouw te willen vervangen door een armzalige schoenendoos? Geld kan de drijfveer zijn - het rijk betaalt nieuwbouw, restauratie daarentegen zou het Stadsdeel uit eigen middelen moeten bekostigen. Veel erfgoed is om die reden al gesneuveld. Helaas, leert de architectuurgeschiedenis, laat de werkelijke waarde van een pand zich vaak pas uitdrukken als het de honderd jaar is gepasseerd.

    • Rini Aerden