Wat minder straffen zou geen kwaad kunnen

De bouw van 3.000 nieuwe cellen is niet iets om trots op te zijn, vindt Winnie Sorgdrager. Maar ze schaamt zich er ook niet voor.

Zeggen dat je niet de geschiedenis wilt ingaan als 'minister van Cellenbouw' en dan een jaar later een claim voor de bouw van 3.000 nieuwe cellen presenteren - kan dat? Kun je dat doen en toch geloofwaardig blijven?

Volgens mij wel.

De 3.000 nieuwe cellen zijn het grootste bouwprogramma uit de Nederlandse geschiedenis. Dat is niet iets om trots op te zijn - maar ook niet iets waar een minister van Justitie zich voor hoeft te schamen. Het is niet de minister die de behoefte aan cellen vaststelt - althans niet onder de omstandigheden die wij de afgelopen decennia kennen. Deze behoefte is betrekkelijk objectief te berekenen uit het aantal en de duur van de door de rechter opgelegde gevangenisstraffen, gecombineerd met de door het openbaar ministerie en de rechter nodig geachte voorlopige hechtenissen. Uiteraard zijn nog wat andere zaken van invloed, zoals het niet betalen van boetes waarvoor mensen vervangende hechtenis moeten ondergaan en de overdracht van strafvonnissen aan en uit het buitenland, maar ook dat is te berekenen.

Wat je met dat objectieve gegeven doet, is natuurlijk een keuze. Je kunt zeggen dat het je niet kan schelen dat er voldoende capaciteit moet zijn om, bijvoorbeeld, 10.000 dagen voorlopige hechtenis ten uitvoer te leggen en maar voor 8.000 dagen capaciteit ter beschikking stellen. Wat dan gebeurt is helder: er moeten verdachten worden heengezonden - soms ook verdachten van ernstige misdrijven, of personen van wie mag worden aangenomen dat ze kort na hun heenzending weer misdrijven zullen plegen.

Je kunt ook zeggen: als er ruimte gemaakt moet worden voor iemand die nu, acuut, opgesloten moet worden, dan moet die ruimte maar gemaakt worden door iemand anders vrij te laten die er al een groot deel van zijn straf op heeft zitten. Of je zegt: stop er maar twee op één cel.

Al die 'oplossingen' worden op het ogenblik toegepast. Er worden verdachten uit de voorlopige hechtenis heengezonden - en telkens als daarover cijfers gepubliceerd worden, wordt de minister van Justitie erop aangesproken dat aan deze praktijk een einde moet komen. Er worden mensen vervroegd in vrijheid gesteld, sommigen zelfs vóór ze de wettelijk vastgelegde termijn van tweederde van hun straf hebben uitgezeten. Dit laatste heeft eveneens tot protesten geleid, en de discussies van de afgelopen jaren hebben laten zien dat een verdere algemene vervroeging van het moment van vervroegde invrijheidsstelling niet op steun van de politiek, de publieke opinie en de rechterlijke macht kan rekenen. En wat het vaker plaatsen van meer gedetineerden op een cel betreft: afgezien van het feit dat ik daar inderdaad een eigen keuze maak, moet ook worden geconstateerd dat het in kosten nauwelijks uitmaakt. Die worden bepaald door het personeel, en daarvan is meer nodig wanneer er meer gedetineerden zijn, of die nu alleen of met meer op een cel zitten.

Kortom, als officieren van justitie steeds meer verdachten in voorlopige hechtenis willen houden, als ze steeds meer en steeds langere vrijheidsstraffen eisen en als rechters die ook opleggen, dan ontkom je er als minister van Justitie niet aan om de daarvoor benodigde celcapaciteit ter beschikking te stellen.

Maar kun je als minister dan helemaal niets? Zo erg is het ook weer niet - en dat heb ik ook al laten zien. Je kunt in grote lijnen twee dingen doen. Je kunt rechters vragen om zich in alle ook maar enigszins in aanmerking komende gevallen af te vragen of er geen alternatieve straf kan worden opgelegd en of, als dat beslist niet kan, de op te leggen vrijheidsstraf niet een paar maandjes korter kan. En de minister kan richtlijnen voor het openbaar ministerie uitvaardigen waarin datzelfde niet wordt gevraagd maar wordt uitgelegd. Er zijn ook nog andere mogelijkheden, zoals het verlagen van de strafmaxima in de wet, het uitvaardigen van straftoemetingsrichtlijnen of het uit het strafrecht halen van misdrijven waarvoor vaak (een lange) gevangenisstraf wordt opgelegd, maar die zijn, voorzover het al reële opties zijn, niet van de ene dag op de andere te regelen.

Meer alternatieve sancties dus, en kortere vrijheidsstraffen - om te voorkomen dat er binnenkort nog meer cellen gebouwd moeten worden. Maar is dat ook een begaanbare weg? Nog afgezien van de vraag of rechters diezelfde keuze zullen maken - is het niet een te zachte aanpak van de criminaliteit? Moet niet juist harder en zwaarder gestraft worden? Is het niet juist de zachte aanpak van de jaren zeventig die ertoe heeft geleid dat we nu in de problemen zitten?

Ik geloof daar niets van. Zeker, de straffen in Nederland zijn traditioneel niet bijzonder hoog in vergelijking met de VS of de ons omringende landen, en de omstandigheden in onze gevangenissen zijn in een groot aantal opzichten beter. Maar daar staat wel het een en ander tegenover. Bijvoorbeeld dat in Nederland de opgelegde straffen gemiddeld voor een veel groter deel daadwerkelijk worden uitgezeten dan in het buitenland. De moordenaar die in de VS levenslang krijgt kan na zes jaar al weer wegens goed gedrag in vrijheid gesteld worden. De drugssmokkelaar die in Frankrijk 12 jaar krijgt loopt een goede kans al na een paar jaar gratie te krijgen - bijvoorbeeld omdat er een tekort aan celcapaciteit is. En wat de omstandigheden in onze gevangenissen betreft: ik acht het een groot goed dat wij onze gevangenen humaan behandelen - en wanneer de balans, bijvoorbeeld in de vergelijking met verpleeghuizen, in het voordeel van de gevangenis door lijkt te slaan, dan is dat reden om de slechtste omstandigden te verbeteren, en niet om de beste te verslechteren.

Er is een veel belangrijker reden waarom het met de straffen - over het algemeen - wel wat minder kan. Die is dat er geen enkel bewijs is voor de stelling dat de gevangenisstraf 'beter werkt' dan een alternatieve straf, of dat een lange celstraf effectiever is dan een korte.

Wanneer gesproken wordt over een effectieve straf, moet je je afvragen wat het doel is. Aan straf worden meestal als doelen 'afschrikking', 'onschadelijkmaking', 'vergelding' en 'resocialisatie' toegekend. Allemaal doelen die de straf inderdaad heeft, maar moeilijk te zeggen valt of ze door een langere gevangenisstraf beter bereikt worden dan door een korte - temeer omdat het geen doelen zijn waartussen gekozen kan worden: de straf heeft ze allemaal tegelijk.

Natuurlijk, een lange straf lijkt al gauw afschrikwekkender dan een korte - maar onderzoek heeft al lang aangetoond dat de zekerheid dat straf volgt en de snelheid waarmee die volgt, minstens zo afschrikwekkend is als de strengheid ervan. En zeker, iemand die levenslang opgesloten blijft kan geen misdrijven meer plegen, althans niet buiten de gevangenis. Maar behalve het praktische punt dat we in Nederland straffen voor gepleegde misdrijven en niet voor mogelijk nog te plegen wandaden, is er het principiële punt dat je niet in de toekomst kunt kijken en dus niet weet of je iemand levenslang opsluit die nooit meer een delict zou plegen. In dat geval wordt de veiligheid duur gekocht - niet alleen in guldens, maar ook in toegevoegd leed.

Blijven over vergelding en resocialisatie. Of iemand er beter van wordt als hij tien jaar zit in plaats van zes - ik zou het niet kunnen zeggen. Criminologen die er onderzoek naar hebben gedaan zeggen in elk geval dat het niet zo is. En wat de vergelding betreft - als we het oud-testamentische 'oog om oog' combineren met de nieuw-testamentische 'andere wang', dan is het niet moeilijk om in te zien dat vergelding zijn grens kent. En wie kan in een concreet geval met absolute zekerheid zeggen dat die op zes in plaats van vijf maanden ligt?

Als ik pleit voor meer alternatieve sancties en kortere vrijheidsstraffen, heb ik twee zaken voor ogen. Er is moeilijk een rechtvaardiging te vinden voor meer of langere gevangenisstraffen, en de straf is maar de helft van het verhaal. Nadat de straf ten uitvoer is gelegd, komt de gestrafte weer terug in onze maatschappij.

Als we willen dat hij of zij daarna geen misdrijven meer pleegt (of minder, of minder ernstige) dan is het van belang hem of haar vanaf dat moment ook echt weer op te nemen in die maatschappij. Dat, hoe moeilijk te realiseren ook, is wat straffen effectief maakt.

Wie zich na zijn straf buitengesloten weet, heeft niets meer te verliezen en kan dus niet meer worden afgeschrikt. Wie niet fysiek maar wel sociaal geïsoleerd wordt, is niet onschadelijk gemaakt, maar vormt juist een bedreiging. Wie slechts vergelding heeft ervaren en geen vergeving, zal zich waarschijnlijk weinig gelegen laten liggen aan de pijn en het verdriet van een volgend slachtoffer. En wie zich erop heeft toegelegd om na zijn straf met een schone lei te beginnen, zal, op zijn minst, weinig stimulans ondervinden om die lei schoon te houden als hij stuit op afwijzing.

Voor mij is een ideale straf - als die al bestaat - een straf die leed toevoegt (maar niet meer dan absoluut noodzakelijk), die, als het ook maar even kan, geheel of gedeeltelijk in de maatschappij wordt ondergaan en die gevolgd wordt door reïntegratie. Dat is niet iets wat een minister van Justitie allemaal even voor elkaar kan krijgen. Maar een minister die het niet probeert, die niet aan de orde stelt dat cellen niet het ultieme antwoord zijn op het probleem van de criminaliteit, heeft alle reden zich te schamen als ze wel het grootste bouwprogramma uit de geschiedenis op haar naam schrijft.