'UNSCOM gaat desnoods Saddams slaapkamer in'

Iraks weigering om wapeninspecteurs toe te laten tot de paleizen van Saddam Hussein, kan leiden tot een nieuwe confrontatie met Amerika en de VN. Niet de laatste, voorspelt Rolf Ekéus, die zes jaar de inspecties leidde.

WASHINGTON, 26 NOV. De wapeninspecteurs van de Verenigde Naties moeten de soevereiniteit en de nationale waardigheid van Irak respecteren, vindt Rolf Ekéus, de Zweedse diplomaat die zes jaar lang voorzitter is geweest van UNSCOM, de VN-commissie belast met de opsporing en vernieting van Iraks wapens voor massavernietiging. Maar dat betekent niet dat Irak hen ook uit de paleizen van Saddam Hussein kan weren.

“Als de inspecteurs aanwijzingen hebben dat er verboden wapens worden verborgen, dan moeten ze worden toegelaten. Tot paleizen of zogeheten presidentiële terreinen net zo goed als tot begraafplaatsen en zelfs moskeeën. Ze kunnen niet op goed geluk gaan zoeken, maar als bijvoorbeeld luchtfoto's aanleiding geven tot verdenking, dan mag elke vierkante centimeter doorzocht worden.”

“Soms werd me gevraagd of we ook van plan waren om de slaapkamer van Saddam Hussein te doorzoeken. Dat lag niet in de bedoeling, tenzij we indicaties zouden krijgen dat er verboden materiaal is verborgen. UNSCOM gaat daarheen waar de verboden spullen zijn. Eens zijn we zelfs, met behulp van een islamitische geestelijke, gaan graven in een terrein waar mensen geëxecuteerd waren, omdat we vermoedden dat er wat verborgen was.”

De wending die de Iraakse crisis de afgelopen dagen heeft genomen, roept vragen op over de periode dat Ekéus aan het hoofd van UNSCOM stond, van 1991 tot deze zomer. Heeft Ekéus de Irakezen in juni 1996, in een overeenkomst met Tareq Aziz, toegezegd dat de inspecteurs sommige gevoelige locaties niet zouden betreden, zoals Bagdad nu beweert? En kan Irak zich niet met enig recht beroepen op uitspraken van Ekéus dat UNSCOM het Iraakse zelfbeschikkingsrecht moet respecteren?

Ekéus, die sinds september Zweeds ambassadeur in Washington is, ontkende dat gisteren in een gesprek met een paar Nederlandse journalisten. Volgende week komt Ekéus naar Nederland, om in het Vredespaleis de Wateler Peace Prize van de Carnegie-Stichting in ontvangst te nemen, die hem is toegekend voor zijn werk als voorzitter van UNSCOM.

“Mijn lijn is altijd geweest dat we de soevereiniteit en integriteit van Irak moeten respecteren - zoals de Veiligheidsraad letterlijk bij resolutie heeft vastgelegd. Maar dat uitgangspunt mag Bagdad nooit gebruiken om het bezit van verboden wapens te verbergen. En UNSCOM mag niet worden gehinderd bij het vernietigen van die wapens.”

Ekéus was niet verbaasd dat de spanningen de afgelopen weken zo hoog opliepen. “Ik heb altijd gewaarschuwd dat het eindspel moeilijk zou zijn en veel wrijving met zich mee zou brengen. We hebben documenten gevonden waarin Irakezen wordt opgedragen om materiaal van lage kwaliteit aan ons over te dragen, maar materiaal van hoge kwaliteit te beschermen en achter te houden. Maar nu moeten ze toch opgeven wat echt belangrijk voor hen is, wat er nog over is aan handleidingen, of kookboeken zoals we ze noemden, apparatuur, munitie en wapens.”

De kiem voor de huidige crisis werd al gelegd in het voorjaar van 1996, zegt Ekéus. “We slaagden erin om uit te vinden hoe Irak het bewapeningsprogramma verborgen hield. We kwamen erachter welke eenheden er verantwoordelijk voor waren: de Speciale Republikeinse Garde en de Speciale Veiligheidsorganisatie, die onder leiding staat van een jongere zoon van Saddam Hussein, die ook belast is met de persoonlijke veiligheid van Saddam. We gingen achter hen aan, en kwamen zo in de buurt van allerlei volgens Bagdad gevoelige installaties. Je kunt het paleizen noemen, maar het ging om hoofdkwartieren van die Speciale Veiligheidsorganisatie en om communicatiecentra.”

“Toen ons hardhandig de toegang werd versperd, heb ik geprotesteerd bij de Veiligheidsraad. Die stuurde mij daarop naar Irak om toch toestemming te krijgen die locaties te onderzoeken, wat vervolgens in juni 1996 tot de gemeenschappelijke verklaring met Aziz leidde (waarin Irak “onmiddellijke, onvoorwaardelijke en onbeperkte” toegang tot alle locaties met wapens beloofde, en UNSCOM op haar beurt respect toezegde voor de soevereiniteit van Irak, red.). Daarmee begon het eindspel, dat nog lang kan duren en veel problemen kan opleveren.”

Ekéus prijst zijn opvolger Richard Butler. Diens besluit om alle inspecteurs uit Irak terug te trekken toen Bagdad de Amerikanen onder hen uitwees, noemt hij “achteraf gezien juist”. “Hij voerde zo de crisisstemming op, waardoor de mensen beseften dat de situatie ernstig was.”

De prijs die hem is toegekend beschouwt Ekéus als een eerbewijs aan het hele team van UNSCOM. Trots wijst hij erop dat de inspecteurs grote hoeveelheden wapens hebben vernietigd, “terwijl alle bombardementen tijdens de Golfoorlog niet één Iraakse raket hebben verwoest”. “Neem nu het ontmantelen van chemische wapens: op zichzelf is dat al moeilijk genoeg, maar in een land dat voortdurend tegenwerkt is het helemaal een gevaarlijke onderneming.”