Tiende documentairefestival Amsterdam begint vandaag; Sneak preview op televisie

Het International Documentary Filmfestival Amsterdam, dat vandaag begint, wil niet alleen de vertoning van documentaires in de bioscoop stimuleren, maar ook op de televisie. Dat sommige films zelfs eerder op tv te zien zijn doet er niet toe. Veel voorstellingen zijn toch wel uitverkocht.

Nobody's Business. Do 20.30u Alfa 1; za 17.00u Calypso 1; wo 18.00u Alfa 4; Fast, Cheap & Out of Control. Do 22.00u Calypso 1; za 20.00u Alfa 1; di 17.15u Nederlands Filmmuseum; Het ondergronds orkest. Vr 20.00u Calypso 1; zo 10.30u Alfa 1; ma 22.30u Nederlands Filmmuseum. Res. en info. tel. (020) 62 61 939.

AMSTERDAM, 26 NOV. Al twee keer gedurende de afgelopen week konden televisiekijkers met een kabelaansluiting kijken naar de nieuwe documentaire Nobody's Business van Alan Berliner: afgelopen maandag als 'geheime voorvertoning' van het tiende International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) in het Uur van de Wolf op Nederland 3 en de zaterdag daarvóór in de uitnemende nieuwe BBC-serie van recente documentaires Storyville. Een week eerder vertoonde Storyville al een ander hoogtepunt van het IDFA, het in competitie vertoonde Little Dieter Needs to Fly van Werner Herzog. Ook een handvol andere films uit het programma wordt tijdens of direct aansluitend op het festival door Nederlandse publieke omroepen uitgezonden.

Deze aantasting van de exclusiviteit van de vertoningen door het IDFA berust niet op een bedrijfsongeval, maar is het resultaat van een nauwe samenwerking van het festival met respectievelijk de NPS en de BBC. De redacteur van Storyville, Nick Fraser, geeft zelfs tijdens het IDFA een openbare toelichting op zijn beleid. De doelstelling van het IDFA is niet alleen de bevordering van de vertoning van documentaires in de bioscoop, maar ook de vertoning van documentaires op televisie. Dat een voor het festival geselecteerde film tegelijkertijd of zelfs al eerder op televisie te zien is, lijkt de belangstelling van het publiek om dezelfde film op een groot doek te zien nauwelijks te verminderen; veel van de IDFA-voorstellingen zijn toch wel uitverkocht.

Het tijdperk dat de televisie als een concurrent van filmfestivals gezien werd, lijkt inmiddels voorbij. Eerder functioneert de gelijktijdige aandacht als een promotie-instrument, in dit geval voor kwalitatief hoogwaardige documentaires in het algemeen en het IDFA in het bijzonder. Het festival dient namelijk meer functies dan alleen maar het in première brengen van een film: het is ook een plaats, waar publiek en filmmakers elkaar ontmoeten, maar ook filmmakers en financiers (op de financieringsmarkt in Paradiso, FORUM) en waarfilmmakers onderling met elkaar praten. De context van officiële en informele debatten, van talkshows en vraaggesprekken in de bioscoop na afloop van een filmvertoning wordt zo bijna even belangrijk als de films zelf.

Hoewel het IDFA langzamerhand over een aanzienlijk prijzenpakket beschikt, is de vraag welke film aan het slot van het festival met de Joris Ivens Award gaat strijken, niet de belangrijkste. Nobody's Business, een vraaggesprek tussen de regisseur en zijn vader, gemonteerd als een bokswedstrijd, doet bij voorbeeld niet mee aan de competitie, en toch zal het een veelbesproken film blijken, als ego-document en als bewonderenswaardig voorbeeld van de stelling dat de vorm van een documentaire minstens zo belangrijk is als de inhoud. Het gaat er niet om dat Oscar Berliner alle vragen van zijn zoon over de scheiding van zijn moeder en over hun voorouders in Oost-Europa uit de weg gaat; de charme van de film zit in de ritmische, bijna muzikale manier waarop de filmer Alan Berliner de langs andere weg ontdekte antwoorden op zijn vader en op de filmkijker afvuurt, als een feiten spuwende mitrailleur.

Aan de vooravond van het jubilerende IDFA springen er in de competitie twee films uit: de vanavond in Tuschinski als openingsfilm gepresenteerde Fast, Cheap & Out of Control van Errol Morris en de Nederlandse wereldpremière Het ondergronds orkest van Heddy Honigmann. Morris excelleert in zijn virtuoze presentatie van gedachten over de relatie tussen mens en natuur, geïllustreerd met de woorden en daden van respectievelijk een dompteur, een zoöloog, een heggenknipper en een robotontwerper. Honigmann, die vorig jaar het IDFA opende met O amor natural, heeft haar beste documentaire tot nu toe gemaakt: een groepsportret van muzikanten die in de Parijse metro hun brood verdienen en bij nadere bovengrondse beschouwing stuk voor stuk politieke ballingen blijken te zijn, vervuld van nostalgie en vervreemding. De film smeedt muziek, verbale getuigenissen en zeer intens geobserveerde gezichten en gebaren aaneen tot een impliciet politiek geëngageerd pamflet, dat zingt van heimwee, opstand en recht op een menswaardig bestaan, maar zonder te scanderen.

Ook dit soort feestelijke films komt ongetwijfeld over enige tijd op televisie; desondanks valt er veel voor te zeggen om ze op een groot doek te gaan bekijken tegen het decor van een jubilerend festival.

    • Hans Beerekamp