Spitten

Met angst en beven zie ik ieder jaar weer de maand november aankomen. Zodra de bladeren en masse neervallen, moet er gespit worden. Op de klei dient voor kerst de hele moestuin gekeerd te zijn. Waarom voor kerst? Omdat het in ons land, zoals de sympathieke dokter Colet in het bijzonder aardige boek Huis en Hemel van Monika Sauer zegt, doorgaans pas na kerst gaat vriezen.

Ligt voor de jaarwisseling alles al om, dan kunnen in januari en februari al die sompige kleikluiten stukvriezen. Dan is na de vorst de grond heerlijk los, en kun je hem moeiteloos fijn maken.

Maar klei omspitten, het is een beestenwerk. Ik doe elke dag drie stevige regels en dat valt mij bijzonder zwaar. Weliswaar heb ik een paar jaar terug van Hanneke een heuse, uit Bodegraven afkomstige Graaf voor mijn verjaardag gekregen, maar zelfs met zo'n unieke Graaf blijft het een zware opgave om de vochtige, sompige kluiten stuk te steken en om te keren.

Het grootste gevaar is dat je met je rug een verkeerde beweging maakt. Dan schiet er, toepasselijker woord lijkt nauwelijks denkbaar, spit in. Onderin je rug, pal boven je stuitje, vlamt opeens een onbarmhartige pijn op. Je kunt niets meer, je mag blij zijn als je, kromgebogen als een heks, nog naar huis kunt strompelen. Zowel in bed gaan liggen als er weer uitkomen blijken vervolgens loodzware opgaven.

Lig je met spit op bed, dan kun je wel ter vertroosting naar hoogwaardige literaire werken grijpen, maar je hoeft niet te denken dat je ooit in enig bekroond prozawerk een passage over spitten zult tegenkomen die je een hart onder de riem steekt. Al die hypergevoelige, fijnbesnaarde literatoren hebben uiteraard nog nooit van hun leven gespit; ze wenen desnoods over jonge sla, maar denk maar niet dat ze de kleigrond eerst gespit en vervolgens fijngemaakt hebben om daarop sla te zaaien.

Gelukkig vond ik onlangs in de prachtige roman De eenhoorn van K. Norel een passage over spitten die mij opmonterde. “Kornelis Sluis drijft telkens de blanke tanden van de spitgreep in de grond en zijn armen keren de afgestoken kluit, zodat de zwarte aarde boven ligt. Spitten is zwaar werk. Voor en na laat Sluis de vork rusten om zich het zweet van het gelaat te wissen en soms tast hij naar zijn lendenen. Het spitten valt Sluis moeilijker dan vroeger. Is de grond van 't jaar zo hard en stug, vraagt hij zich af, of...of komt het doordat ik een jaartje ouder word? Hij vermant zich. Het luie zweet moet er uit. Als hij maar doorzet, spit hij aanstonds even vlot als vroeger. Met kracht drijft hij de greep en keert de vette kluiten om. Sluis staat zijn man nog; hij kan nog best een akker spitten. Na een poos moet hij echter weer rusten. Zijn adem hijgt en zijn rug doet erger pijn dan straks. Hij begrijpt dat hij het tempo toch een weinig matigen moet.”

Schitterend, hier staat alles in. Jammer voor Sluis dat hij niet over een Graaf beschikt. Zo'n spitgreep met tanden blijft behelpen. Het enige waar ik niet achter sta is het zinnetje: het luie zweet moet eruit. Mijn ervaring is dat je moet ophouden zodra je overvloedig begint te zweten. Vochtverlies, daar word je doodmoe van.

Mooi vind ik ook de zin: Sluis staat zijn man nog. Impliciet wordt hier meegedeeld wat een veelzeggend ervaringsfeit is. Alle emancipatie en feminisme ten spijt heb ik nog nooit op de zware zeeklei een vrouw zien spitten.

In de passage van Norel ontbreekt één vermakelijk verschijnsel dat aan het spitten een bijzondere bekoring verleent. Zodra je een klein stukje gedaan hebt, komt er een roodborstje te voorschijn om de naar boven gekomen, kronkelende regenwormen te grijpen. Het is altijd een feest om te zien hoe zo'n beestje staat te rukken aan een rood wormpje dat nog half vast zit in de klei. Heb je een paar dagen gespit, dan weet zo'n roodborstje, als je met je Graaf komt aanlopen dat zijn ontbijt gewaarborgd is en komt hij terstond aanvliegen. Doorgaans raakt hij zo gewend aan je aanwezigheid dat hij, anders dan de merels die altijd op veilige afstand blijven, je vrijwel op de voet volgt. Ik heb zelfs één keer meegemaakt dat een vrijpostig roodborstje rustig op de scherpe ijzeren rand van mijn Graaf plaatsnam op het moment dat ik hem de grond indreef. Kon hij onmiddellijk toeslaan als er een wormpje verscheen. Dat was overigens vrij lastig, want hij zat soms in de weg als je met de rechtervoet de Graaf de grond in wilde steken. Vrij snel leerde hij overigens dat hij links van de steel op de Graaf moest gaan zitten.

Terwijl je spit, stuit je regelmatig op veenmollen. Maar daarover een volgende keer.

    • Maarten ’t Hart