Japanse banken dol op financiële trucages

In Japan zijn de problemen bij banken jarenlang vooruitgeschoven en dat roept, na de onthulling over verborgen verliezen bij Yamaichi, vragen op over de rol van de Japanse bankentoezichthouder.

AMSTERDAM, 26 NOV. Elf jaar lang maskeerde het kantoor in New York van de Japanse Daiwa Bank haar verliezen uit de obligatiehandel, totdat de lokale Amerikaanse toezichthouder er in 1995 achter kwam en een forse boete uitdeelde. Wist de Bank of Japan, de Japanse centrale bank, die de banken moet controleren, van deze financiële trucages? In Amerika had de toezichthouder zo zijn vermoedens.

Deze week werd bekend dat het effectenkantoor Yamaichi sinds 1990 verliezen tot een bedrag van zo'n 3,5 miljard gulden sinds 1990 had heen en weer geschoven tussen verschillende rekeningen en Caraïbische vennootschappen. Yamaichi moest maandag haar deuren sluiten nadat het vertrouwen van geldgevers aan de bank was opgedroogd en de verborgen verliezen een reddingsactie door een andere financiële instelling onmogelijk maakten.

“Beide partijen, zowel de banken als hun Japanse toezichthouders, hebben er belang bij om de harde waarheid niet boven water te laten komen”, zegt J. Koelewijn, beleggingsstrateeg bij de financiële adviesfirma Iris (een samenwerking van Rabobank en Robeco) en gepromoveerd op het toezicht op het bankwezen.

De maskering van verliezen, die in Japan als tobashi bekend staat, bij Yamaichi heeft onder internationale bankiers nieuwe vragen opgeroepen over de effectiviteit van het bankentoezicht in Japan. De nervositeit over de gezondheid van het Japanse financiële systeem kreeg gisteren een nieuw impuls toen een kleinere regionale bank de handdoek inde ring gooide en uit zaken ging. Dat was deze maand het vierde bankroet in de financiële bedrijfstak.

Het maskeren van verliezen is volgens Koelewijn geen typisch Japans fenomeen, maar de structuur van het bankwezen, die nauw verweven is met de industrie, zorgt ervoor dat er gemakkelijker ongelukken kunnen gebeuren doordat impulsen ontbreken om aan mogelijke verliessituaties snel een eind te maken.

Ook buiten het bankwezen vinden dergelijke maskeringsoperaties, die jaren kunnen doorgaan plaat. Vier jaar geleden bleek Showa Shell, een Japanse joint venture waarin de Koninklijke Shell een participatie heeft van 50 procent, een verlies op valutaposities van meer dan een miljard gulden te hebben opgelopen dat nog enige tijd was doorgeschoven in de hoop op betere tijden. En typisch Japans is het niet: de Britse elitebank Barings ging twee jaar geleden over de kop, na roekeloze speculaties van een handelaar die vanuit Londen niet effectief werd gecontroleerd. Hij “verkocht” zijn verliezen op het hoofdkantoor als grote winsten.

Japanse banken zijn door hun vervlechting met het bedrijfsleven een apart geval. Zij maken onderdeel uit van conglomeraten met industriële bedrijven, maar ook verzekeraars en effectenkantoren. Als kredieten aan andere leden van zulke conglomeraten in het ongerede raken en de rente en aflossing niet meer worden betaald is de verleiding groot om deze leningen nog niet als een potentieel verlies in de boeken van de bank te verwerken.

Koelewijn trekt een parallel met de jaren tachtig en met de Verenigde Staten en Scandinavië, waar banken in grote problemen zijn gekomen. “Daar werd radicaal en snel ingegrepen.” In Japan zijn de problemen jarenlang vooruitgeschoven en dat roept, na de onthulling over de tobashi, ook vragen op over de rol van de Japanse bankentoezichthouder. “Er moet een probleem zijn met de manier waarop het ministerie van Financiën en de Bank of Japan” hun inspecties bij banken uitvoerden, zo heeft een directeur van de Bank of Japan volgens de Financial Times erkend.