In Terpstra's 'Hindenburg' is ook God zelf zoekende

Voorstelling: Het neerstorten van de Hindenburg en wat daarna gebeurde door RO Theater. Tekst en regie: Koos Terpstra; scenografie: Erik Kouwenhoven; spel: Linda van Dyck, Tom Jansen e.a. Gezien: 25/11 Rotterdamse Schouwburg. Tournee: 3/12 t/m 1/2. Res. (010) 411 81 10.

In Koos Terpstra's nieuwe stuk Het neerstorten van de Hindenburg en wat daarna gebeurde heeft het genoemde luchtschip vooral een symbolische functie. Zo mooi, zo vernuftig, zo kwetsbaar: de Hindenburg heeft bewezen hoe makkelijk illusies als zeepbellen uiteen kunnen spatten. “Die zeppelin was het begin van het einde. Hij stond ergens voor”, merkt een van Terpstra's personages op. Ze had gehoopt, zegt ze, dat de zeppelin ooit naar de maan zou gaan, maar de toekomst van de zeppelin is voorbij: “Er zijn geen dromen meer.”

Het is New York, 1938. De droom van vele mensen is een jaar eerder, op 6 mei 1937, in vlammen op gegaan. De Hindenburg, op dat moment het grootste luchtschip ooit gebouwd, explodeerde tijdens de landing en stortte brandend neer. In het stuk van Terpstra, dat zich afspeelt in een fictief Amerika in de jaren 1937, '38 en '39, wordt een paar maal aan het drama gerefereerd. Gelukkig zijn er in de door Terpstra zelf bij het RO Theater geregisseerde voorstelling ook beelden van. Op een enorm halfrond doek zien we emotionerende filmfragmenten van het majestueuze gevaarte dat zo trots door de lucht zeilt maar dan plotseling, in het bijzijn van een huilende radioverslaggever, in een brandend karkas verandert.

De ramp vormt de aanleiding tot een lange keten van fragmentarische scènes waarin dromen stuk lopen op de werkelijkheid. De uiteenlopende figuren die Terpstra laat opdraven dansen in feite op de vulkaan: ze leven in een land en een tijd van ongekende mogelijkheden maar niets duurt eeuwig, in de lucht hangt de dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Intussen jagen ze op het geluk. De een is op zoek naar eer, de ander wacht op haar matroos, de derde gelooft in het goede en bestrijdt de misdaad.

Tussen al deze gelukzoekers, gangsters, agenten, hoertjes en matrozen is ook God zelf een zoekende in New York. Hij is in 1937 op aarde gekomen om te zien hoe het met de mensen gaat. Jansen noemt hij zich. Tom Jansen zet hem neer als een onhandige man met een stuurse kop die zijn eigen schepping niet begrijpt. Voortdurend wordt hij geconfronteerd met zijn eigen beperkingen want hij mag dan wel God zijn, toveren kan hij niet zoals hij somber vaststelt. Heel wat illusies armer laat hij zich tenslotte samen met een oudere vrouw (Linda van Dyck), die zich over hem ontfermd heeft, een kogel door het hoofd schieten opdat ze terug kunnen gaan naar waar hij vandaan komt.

Tom Jansen speelt als altijd een rol waar je met genoegen naar kijkt en ook alle andere acteurs leveren goed spel. Desondanks is het bijwonen van de voorstelling een behoorlijke opgave. Dat ligt in de eerste plaats aan de tekst: wat ontbreekt is een kern. Het neerstorten van de Hindenburg en wat daarna gebeurde klinkt als een avonturenverhaal en zo is het ook opgezet, maar de uitwerking is zwak. De almaar voortkabbelende scènes met steeds nieuwe situaties en andere personages leiden nergens naartoe en bevatten zelden een pakkende dialoog. De figuren hebben weinig kleur en wat ze te melden hebben, is naar je gevoel al gauw meer van hetzelfde.

Teleurstellend is ook dat de enscenering zo overheerst wordt door het podiumvullende filmdoek. Lang niet altijd zijn er beelden te zien; soms tekenen zich de schimmen af van de acteurs die er achter staan. Eén keer zien we de steeds groter wordende schaduwen van een dansend paar en dat is adembenemend, maar verder hangt die doek daar als een dooie lap en de spelers zijn gedwongen zich ervoor te posteren, al dan niet op een van de stoelen die ze op en af dragen. Wat je hoopt en verwacht is een wending in het stuk, zodat het doek omhoog gaat en er een heel ander toneelbeeld tevoorschijn komt. Met een luchtschip bijvoorbeeld.