Herinneringen aan Ivens' oliefilm

Stefano Missio, Quando l'Italia non era un paese povero. IDFA, do. 27/11, Calypso 1, 10.30; za. 29/11 Alfa 4, 22.15; wo 3/12, NFM-VSB-zaal, 15.30.

In het programma 'debuutfilms' van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) draait Quando l'Italia non era un paese povero (Toen Italië geen arm land was), een werkstuk van Stefano Missio, student van de filmschool in Rome. Onderwerp van Quando l'Italia is de geschiedenis van een Ivens-film uit 1960, getiteld Italië is geen arm land, die voor televisievertoning werd gemaakt in opdracht van de staatsoliemaatschappij ENI. Missio's documentaire bestaat voor tachtig tot negentig procent uit vraaggesprekken, afgewisseld met opnamen van wat documenten waar namaakkabels overheen lopen, alsof het gaat om beeldmateriaal van voor de Eerste Wereldoorlog. Ronduit onbegrijpelijk is dat pas na 43 minuten - twee minuten voor het einde - de eerste beelden getoond worden uit de Ivens-film waar alles om draait. Nu zijn de geïnterviewden zeker niet oninteressant. Paolo en Vittorio Taviani behoorden indertijd tot Ivens' crew, en zij halen hier uitvoerig herinneringen op. Alleen hebben zij dat al vaker gedaan, in vraaggesprekken met Nederlandse kranten, maar ook voor de camera.

Een hoofdthema in Missio's documentaire is het conflict dat Ivens na voltooiing van de oliefilm kreeg met de Italiaanse televisie, die onder meer een sequentie weigerde met opnamen uit het schrijnend arme Ferrandina. Ook de commentaartekst van de schrijver Alberto Moravia werd te kritisch bevonden. Ivens was artistieke vrijheid toegezegd en hij was woedend. De klachten over censuur die diverse geïnterviewden in Missio's film uiten zijn terecht, maar zij verliezen wel wat van hun zwaarte wanneer de gebeurtenissen in het bredere kader van Ivens' loopbaan worden geplaatst.

Hij had met wel grotere ingrepen van opdrachtgevers ingestemd. Van De eerste jaren (1949), opgenomen in vier Oost-Europese landen, werd een kwart afgeschreven omdat het in Tito's Joegoslavië speelde en Tito intussen ruzie kreeg met Stalin. Het Bulgaarse kwart moest Ivens van het regime in Sofia drastisch omwerken en uit het Tsjechoslowaakse werd een sequentie verwijderd. Niettemin verklaarde hij bij de Parijse première: “In elk van die landen kreeg ik bij mijn werk de grootst mogelijke vrijheid.” Kort daarna verboden de Bulgaren alsnog vertoning van hún deel, ondanks de door Ivens aangebrachte wijzigingen.

Ivens' oliefilm is indertijd zwaar verminkt door de Italiaanse televisie uitgezonden. Missio deelt aan het einde van zijn film vol trots mee dat hij na 36 jaar eindelijk de ongecensureerde versie weer terug kon brengen naar Italiaanse bodem. Dat is mooi, maar Ivens maakte op zijn laatst al in zijn memoires van 1982 bekend dat hij de oorspronkelijke film naar het buitenland had meegenomen. Hij was al die tijd gewoon bij de Cinématèque Française. Van een 'verloren gewaande' film (IDFA-programma) is hier echt geen sprake. Een opzienbarende film is het ook niet en het is duidelijk dat hij op het IDFA draait omdat hij gaat over Joris Ivens, naamgever van de hoofdprijs van het festival.

In Missio's documentaire zit wel een aantal opmerkelijke details. Zo vertelt Ivens' oude vriend Virgilio Tosi dat de Nederlandse cineast eerst overleg pleegde met de leiding van de PCI, de Italiaanse communistische partij, alvorens hij de opdracht van ENI aanvaardde. De PCI zal wel akkoord zijn gegaan, want zij probeerde in die tijd tot samenwerking met de christen-democraten te komen, en de winning van olie door de staat vormde een alternatief voor de komst van Westerse oliemaatschappijen. Dan is er het verhaal van Vittorio Taviani: “Joris stond erop dat er een groot bord aan de muur kwam, dat was onderverdeeld in hokjes voor de verschillende sequenties, elk met zijn eigen kleur. Een rijder was bijvoorbeeld met een bepaalde kleur aangegeven, animatie in een andere... Joris bestudeerde een sequentie, bestudeerde vervolgens het bord, en riep uit: 'Nee, ik heb hier meer rood nodig'. Met andere woorden, hij werkte bijna als een schilder die een doek maakt met een keur aan kleuren, zodat hij het schilderij kon scheppen zoals hij ervan hield.” Het was een ontmoeting tussen twee werelden: de Hollander Ivens met zijn effectieve organisatie, en de Italiaan Taviani die daar poëzie in zag.

Hans Schoots publiceerde in 1996 'Gevaarlijk leven. Een biografie van Joris Ivens'