Delors ging te hard voor Europa

De Fransman Jacques Delors krijgt vandaag de Erasmusprijs wegens zijn verdiensten voor de Europese eenwording. Als voorzitter van de Europese Commissie haalde hij de Europese Gemeenschap uit een diepe crisis, maar de laatste jaren vervreemdde hij van de publieke opinie.

ROTTERDAM, 26 NOV. Niemand dan Jacques Delors zelf heeft beter uitgedrukt hoezeer hij het aanzien van de Europese Commissie in de tien jaar van zijn voorzitterschap (1985-1995) heeft veranderd. “Toen ik in 1985 werd benoemd”, zei hij ten tijde van zijn afscheid, “werd dat afgedaan met drie berichtjes in de grote Franse kranten. Maar over mijn opvolging heb ik vandaag alleen al 89 artikelen gelezen.” Toen Delors, die vandaag de Erasmusprijs krijgt uitgereikt, in 1985 het voorzitterschap van de Commissie op zich nam, verkeerde de toenmalige Europese Gemeenschap in een zware crisis. Het gemeenschappelijke landbouwbeleid was vastgelopen, de handel tussen de lidstaten groeide al jaren niet meer, en de EG raakte steeds verder achterop bij economische concurrenten als de Verenigde Staten en Japan. Het voorzitterschap van de Europese Commissie, vlak na de sluiting van het Verdrag van Rome in 1957 een belangrijke functie, had veel van zijn glans verloren en werd meestal toebedeeld aan politieke lichtgewichten.

In de tien jaar van zijn voorzitterschap wist Delors, die daarvoor onder andere minister van Financiën, hoogleraar en burgemeester was geweest, dat allemaal te veranderen. 'La survie ou le déclin' was daarbij zijn motto: de lidstaten van de EG moeten wel samenwerken omdat het anders onvermijdelijk bergafwaarts zal gaan met Europa. Delors' eerste stap in de hernieuwing van de samenwerking was het programma voor de zogeheten interne markt, dat tot doel had om voor het einde van 1992 één grote markt te scheppen waarin personen, goederen, kapitaal en diensten vrijelijk konden circuleren. Voor Delors was 'Europa 1992' een economische hefboom die tot doel had om een 'politiek' Europa van de grond te krijgen: meer dan bijvoorbeeld de toenmalige Britse premier, Margaret Thatcher, besefte Delors dat economische samenwerking ipso facto wel tot versteviging van de politieke banden moet leiden.

Het is vooral dat besef dat Delors tot een waardig erfgenaam maakt van zijn landgenoot Jean Monnet, die in 1950 aan de wieg stond van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Net als Monnet is Delors, die als jong-volwassene de Tweede Wereldoorlog meemaakte, ervan overtuigd dat alleen de Europese integratie een definitief antwoord is op de Frans-Duitse machtsstrijd die de moderne Europese geschiedenis zo heeft ontsierd. En net als Monnet weet Delors dat de natiestaat, ondanks dat gruwelijke verleden, nog zozeer op de loyaliteit van haar onderdanen kan rekenen dat een 'economische list' nodig is om overdracht van soevereiniteit naar gemeenschappelijke instituties te rechtvaardigen.

Even leek het alsof 'Europa 1992' zou slagen waar eerdere integratieprojecten faalden. Nationale politici, in diskrediet gebracht door de aanhoudende economische crisis in Europa, vergaten de integrationistische consequenties van het programma en zagen het als een manier om 'thuis' hun eigen positie te versterken. En Delors zelf, belijdend christen en sociaal-democraat, deed er alles aan om te onderstrepen dat 'zijn' Europa niet ten prooi zou vallen aan de dictatuur van de 'markt'. “Wij hebben u nodig', hield hij de Britse vakbeweging TUC voor op een van haar congressen, toen deze zich zorgen maakte over het 'sociale gezicht' van Europa.

Opeens ging Europa met een sneltreinvaart vooruit. De lidstaten maakten in de Europese Akte van 1986 een einde aan de verlammende praktijk om alles bij unanimiteit te beslissen, ruzies over het Europese budget werden bijgelegd en in een record-tempo werden er maatregelen genomen om tot die ene Europese markt te komen. Het ging zelfs zo goed met 'Europa' dat Delors, in nauwe samenspraak met zijn vriend Helmut Kohl, de tijd rijp achtte om het kroonjuweel van de Europese eenwording uit de kast te halen, de Economische en Monetaire Unie (EMU). Minder dan tien jaar na de presentatie van 'Europa 1992' legde het Verdrag van Maastricht (1992) de weg naar de muntunie vast.

Delors zelf was ontevreden over 'Maastricht' omdat te weinig aan de politieke eenwording werd gedaan, maar achteraf markeert het Verdrag de zenith van de politieke macht van de Commissie. Al snel immers werd duidelijk dat de Europese plannen de burgers wat te ver waren gegaan. Het Deense electoraat stemde het verdrag in eerste instantie weg, en ook in Frankrijk bleek grote weerstand te bestaan. Delors, en met hem het hele Europese politieke establishment, bleek de gehechtheid aan de natiestaat van de gemiddelde Europeaan te hebben onderschat. En de valutacrisis van 1993 toonde aan dat Europa nog veel minder rijp was voor een muntunie dan Delors had gehoopt. De Fransman bleef nog twee jaar voorzitter van de Commissie, maar hij had veel van zijn oude glans verloren.

Als over een dertigtal jaren de archieven opengaan, zal er ongetwijfeld een Historikerstreit ontvlammen over de rol die Delors in dit alles heeft gespeeld. Delors was niet de enige die aan het begin van de jaren tachtig besefte dat Europa niet zo door kon modderen, zo wordt nu al door sceptici opgemerkt. En is de Duitse hereniging niet veel belangrijker om 'Maastricht' te verklaren dan de visie van Delors? Bewonderaars van de voormalige voorzitter van de Commissie brengen daar tegenin dat Delors zich onmiddellijk achter de Duitse hereniging opstelde en zo de dankbare bondskanselier Kohl nog steviger aan 'Europa' bond.

Misschien dat de tragiek van Delors daarin schuilt dat hij steeds sneller ging en zo de Europese publieke opinie van zich vervreemdde. “Je kunt mensen misschien niet voor 'Europa' winnen, maar je kunt in ieder geval hopen dat hun vijandigheid afneemt als dat 'Europa' hun een baan bezorgt”, zei hij eens. De laatste jaren van zijn voorzitterschap bewezen echter dat geen enkele belofte van economische groei en vooruitgang vooralsnog toereikend is om de loyaliteit van de gemiddelde Europeaan aan 'zijn' natiestaat ter discussie te stellen.

    • Bernard Bouwman