Voorzitters

Als ik terugdenk aan de voorzitters die ik versleten heb in mijn voetbaljaren, dan is de eerste die mij te binnen schiet een uitermate rustig man die lurkend aan zijn pijpje de vreselijkste dingen kon zeggen over je zojuist geleverde prestatie. Bijvoorbeeld dat het rechterbeen “nog niet erg meewerkte”, terwijl de man wist dat bij mij dat been louter functioneerde als middel tot voortbeweging: een volwassen schot heb ik er nimmer mee gelost.

Die voorzitter leek de club bijna geluidloos te leiden. Bij de uitwedstrijden van het eerste elftal verscheen hij nooit, maar bij een beslissingswedstrijd voor het kampioenschap nam hij plaats op het onoverdekte tribunetje met aan zijn bejaarde zijde een roodharige schone van onbestemde leeftijd, waardoor wij nooit-vermoede talenten in onze president meenden te hebben ontdekt.

Ontstemd heb ik hem slechts eenmaal gezien, namelijk toen hij mij opbelde met de mededeling dat ik niet meer kon worden opgesteld. Dat was op bevel van de KNVB, die kort na Wereldoorlog 2 plotseling allen die hun dagelijks brood met sportjournalistiek verdienden de wacht hadden aangezegd en op de beroepslijst geplaatst. Deze verworpenen der aarde konden immers geen fatsoenlijke amateurs zijn, zo redeneerde men bij de Bond.

Gelukkig duurde die massale uitsluiting niet lang. Weliswaar werden de bekendste scribenten er niet door getroffen, want de voetbaldagen van Kick Geudeker, ir. Ad van Emmenes en Aad van Leeuwen waren voorbij, maar een blunder moest hersteld worden en dat is dan ook gebeurd.

Bij een andere club waarin ik speelde toen de veteranenlijstleeftijd zijn griezelige schaduwen reeds vooruitwierp, kwamen we als leden terecht in een principiële kwestie die door het bestuur akelig-hoog werd gespeeld. Het ging over al of niet meedoen aan de voetbaltoto. De KNVB had er een ingesteld en profiteerde, samen met de deelnemende verenigingen, van de opbrengst. Maar die toto betrof vooral wedstrijden op zondag en onze voorzitter, een man van E.O.-gehalte, stond op het preekgestoelte tijden de ledenvergadering met de opengeslagen bijbel in de hand en bezwoer ons om aan de verleidingskunsten van de mammon het hoofd te bieden. Die avond ben ik erachter gekomen dat je je in een debat nooit door blinde woede moet laten leiden, want dan komen de betere argumenten zelden op tafel. Wij, de dissidenten in die strenge club, verloren de stemming. Gevolg: de contributie werd verhoogd en de toto genegeerd.

Diezelfde voorzitter, een man die het overigens best goed bedoelde, had eigenlijk helemaal geen affiniteit met het edele voetbalspel. En hij voelde ook beslist niet aan wat een elftal dat zojuist verloren had, van binnen voelde. Ik zie hem na een iets te royale maaltijd nog wel eens voor mijn geestesoog verschijnen. Hij komt dan geagiteerd onze kleedkamer binnenvallen, waar wij, met lichte verwensingen op de lippen, zojuist zijn neergestreken. Zijn gezicht staat dan op bedroefd. Zijn altijd ernstige oogopslag heeft iets dramatisch en het is duidelijk dat hij de nederlaag nog niet heeft verwerkt. Hij kijkt de kleedruimte rond, ziet louter verslagen gezichten waarop het zweet nog parelt en waarvan de teleurstelling per lepel afschepbaar is, en vraagt met zalvende stem: “Jongens, hoe kon dat nou toch gebeuren?”

Voor het verliezend elftal, dat zojuist de laatste kampioenskans door het raam zag wegvliegen, zijn dit ogenblikken die niet te harden zijn. Zulk onbegrip van buitenstaanders is onverdraagbaar. De aanvoerder en ondergetekende hebben onze voorzitter dan ook krachtig onder beide armen gepakt en de deur uitgewerkt. Hij sputterde slechts lichtjes tegen en zijn gorgelende geluiden werden bovendien overstemd door het applaus van onze medespelers. Vervolgens, tot rust gekomen, hebben wij namens het elftal onze leidsman een brief geschreven met als voornaamste tip: opent nooit als eerste de kleedkamerdeur om te vragen hoe het nu mogelijk was dat er verloren is. De verliezers zitten bij elkaar en begrijpen er ook nog lang niet alles van. Vreemden zijn op die momenten van bezinning ongewenst.