Voor advies aan justitie; Kabinet: vijf commissies euthanasie

DEN HAAG, 25 NOV. Het kabinet wil dat nog voor de verkiezingen vijf commissies aan het werk gaan waarbij artsen melding moeten maken van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Deze commissies, waarin een arts, een jurist en een ethicus zitting zullen nemen, beoordelen of een arts daarbij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

De melding, voorzien van het oordeel van de commissie, wordt aan het openbaar ministerie en aan de inspectie voor de gezondheidszorg voorgelegd.

Dit blijkt uit de algemene maatregel van bestuur die de ministers Sorgdrager (Justitie) en Borst (Volksgezondheid) gisteren naar de Tweede Kamer hebben gezonden. Op korte termijn willen ze een soortgelijke, maar dan landelijk opererende commissie instellen voor levensbeëindiging-niet-op-verzoek zoals bij wilsonbekwamen, zo schrijven de ministers. Daarbij gaat het niet alleen om pasgeborenen, maar ook om jeugdigen en om patiënten met psychische ziekten.

Met deze laatste toevoeging in de toelichting op de maatregel komen de ministers tegemoet aan de kritiek van de Raad van State. In zijn advies toont de Raad zich kritisch over het ingediende voorstel. Volgens de Raad bestaat het gevaar dat de positie van het openbaar ministerie wordt uitgehold als de regionale commissies een te zware stem in de procedure krijgen. De Raad meent dat het primaat bij justitie moet blijven liggen zolang euthanasie en hulp bij zelfdoding strafbaar blijven. In hun antwoord geven Sorgdrager en Borst aan dat in alle gevallen de uiteindelijke beslissing om wel of niet te vervolgen bij het openbaar ministerie blijft. De commissies geven alleen advies, zij het dat het wel zwaar moet wegen.

Sorgdrager en Borst verwachten dat door de inschakeling van deze regionale commissies van deskundigen meer artsen bereid zullen zijn euthanasie en hulp bij zelfdoding te melden. Uit onderzoek is gebleken dat tot dusver niet meer dan veertig procent van alle gevallen bij het openbaar ministerie wordt gemeld. Vaak blijft melding achterwege uit angst voor strafrechtelijke vervolging. De ministers gaan er van uit dat bij de toetsing meer rekening wordt gehouden met de gangbare medische praktijk de vrees voor vervolging verdwijnt. Dit is mogelijk het geval, zo meent de Raad van State, maar dan moet de procedure niet te lang duren en verlopen volgens heldere criteria.

De vijf onafhankelijke commissies worden om praktische redenenen gehuisvest bij de de regionale inspecties voor de gezondheidszorg in Groningen, Arnhem, Haarlem, Rijswijk en Den Bosch. De voorzitters en secretarissen van de commissies moeten onderling zorgen voor eenheid in de oordeelsvorming. Bij dat overleg moet ook het openbaar ministerie en de Inspectie voor de gezondheidszorg aanwezig zijn, zo hebben Sorgdrager en Borst bepaald. Volgens hen zal het openbaar ministerie in de regel afzien van vervolging als de commissie tot de bevinding komt dat voldoende zorgvuldig is gehandeld. Sorgdrager zal daartoe de vervolgingsrichtlijn aanpassen.