Pepernoten

Lang geleden - ik was amper vijftien jaar - heb ik de Rotterdamse Bijenkorf voor enige kilo's pepernoten opgelicht. Aanleiding hiertoe was mijn vaders optreden als Sinterklaas in de week voor 5 december, wanneer hij, om iets bij te verdienen, niet alleen visites aan huis bij particulieren placht af te leggen, wat hem allengs een vaste klantenkring van kinderrijke gezinnen had opgeleverd, maar ook openbare gelegenheden bezocht, zoals Vroom en Dreesmann en de Fransche Bazar of etablisssementen als Het IJsbeertje (een melksalon op de Hoogstraat) en Heck op de Blaak.

Dankzij de reputatie die hij zich in de rol van goedheiligman had verworven viel hem, toen de bouw van de Bijenkorf aan het eind van de Coolsingel was voltooid, de eer te beurt elke middag gedurende de Sinterklaasweek zijn opwachting te maken in de lunchroom van dit grootste en modernste warenhuis van de stad dat, door een reeks bijzonder originele etalages aan de kant van de Schiedamsche Singel, al gauw een bezienswaardigheid zou worden en waar een geüniformeerde portier de ingang bewaakte. Ook de inrichting vertoonde allerlei nieuwigheden, zoals roltrappen, een expresbuffet en een groot dakterras met de genoemde lunchroom boven op de vijfde verdieping.

Het was de bedoeling dat mijn vader, geassisteerd door zijn zwarte knecht - een bevriende relatie die hem iedere december terzijde stond - er klokslag twee uur zou verschijnen om op het gereedstaande gestoelte plaats te nemen en de bezoekers toe te spreken, waarbij hij de aanwezige kinderen een cadeautje in het vooruitzicht stelde, dat ze na het gebruikelijke handje-geven en liedje-zingen van zijn knecht kregen aangereikt. Omdat mijn vader bovendien de opdracht had er een versnapering aan toe te voegen in de vorm van een royaal aantal pepernoten en hij vreesde dat, gezien de geringe omvang van een kinderhand, de helft van de taaie substantie op de vloer van de lunchroom zou worden platgetrapt, werd in overleg met de Bijenkorf-leiding en op voorspraak van mijn vader besloten dat ik de taak van hulppiet zou verrichten. Dit kwam erop neer dat ik tegen het eind van het programma, dat om vier uur afgelopen diende te zijn, met een zak de zaal zou rondgaan om de lekkernij met een gulle greep op de tafeltjes te deponeren.

Ik weet nog dat het ongewoon koud was voor eind november, toen we ons de eerste middag bij de personeelsingang aan de achterkant van het gebouw, die op de Baan uitkwam, vervoegden. Voor zover ik mij de situatie herinner, hadden we op de begane grond een soort opslagplaats tot onze beschikking, waar een geïmproviseerde schminktafel stond en een ruime voorraad snoep- en speelgoed in dozen tegen de muur lag opgestapeld. Aan een rek op wieltjes hing de complete Sinterklaasuitrusting naast de kledij voor de Pieten, die al weken eerder bij Schippers, de costumier in de Oppert, was gepast en gehuurd, en nadat ik mij had verkleed en mijn gezicht door mijn vader vakkundig was behandeld, sloeg ik bevreemd mijn zwarte spiegelbeeld gade, met opgeplakte wenkbrauwen en een zwarte krulletjespruik.

Om kwart voor twee stonden we in vol ornaat gereed, Piet en ik met een uitpuilende jutezak over de schouder, en daar we niet binnendoor maar, wegens het beoogde effect, buitenom via de hoofdingang naar de lunchroom zouden gaan, werden we door de auto met chauffeur van een der directeuren aan de achterzijde afgehaald om nog geen minuut later aan de voorkant weer te worden afgezet. Terwijl de chauffeur en Piet mijn vader bij het instappen behulpzaam waren, wat met de mijter en de staf enige behendigheid vereiste, nam ik alvast op de voorbank plaats en schonk nauwelijks aandacht aan een paar kinderen op straat, die nieuwsgierig naderbij kwamen en met de auto begonnen mee te hollen toen deze wegreed en meteen de hoek omsloeg. Ervoor zorgend niets van zijn waardigheid te verliezen, stapte mijn vader omzichtig uit het voertuig en begaf zich, minzaam nijgend naar de omstanders, in de richting van de ingang, waar de portier aan zijn pet tikte en ik, alvorens als laatste door de draaideur te verdwijnen, nog juist zag hoe hij de kinderen die ons vanaf de Baan waren gevolgd, met een beslist gebaar belette naar binnen te gaan.

Waarschijnlijk heeft zowel dit gebaar als de barre kou de doorslag tot mijn bedrieglijke handelwijze gegeven, want toen wij de volgende dag de achteruitgang verlieten, bemerkte ik dat zich daar een hele groep vijf- à zesjarigen had gevormd, die naar hun kleren te oordelen uit de stegen en zijstraten van de Baan en de Schiedamschedijk afkomstig waren en die, zonder op het vriendelijke gewuif van de Sint te reageren, met een mengeling van ontzag en argwaan naar ons opkeken, wat mij plotseling aan de onvermurwbare portier deed denken. Voor ik wist wat ik deed, had ik met een steelse blik op Piet en de chauffeur, die weer druk doende waren om mijn vader op de achterbank te installeren, mijn vinger veelzeggend tegen mijn lippen gelegd en een paar snelle grepen in de zak gedaan om het verbouwereerde groepje lukraak een flinke hoeveelheid pepernoten in de handen te duwen.

Mijn optreden als vrijgevige Piet had klaarblijkelijk door de hele buurt de ronde gedaan en de rest van de week heb ik er dan ook een zekere vaardigheid in gekregen om met een half oog op de drie mannen in de auto een gedeelte van de toegestoken handen vliegensvlug met de Bijenkorf-tractatie te vullen. Teneinde de snel slinkende voorraad in de dozen langs de muur enigszins te verhullen zorgde ik ervoor steeds bescheidener porties op de met chocolademelk en boterletter overladen tafeltjes in de lunchroom te leggen, hetgeen gelukkig door niemand werd opgemerkt.

Mijn vader heb ik het nooit durven vertellen. Hoezeer hij ook begaan met de kinderen zou zijn geweest, als hij de ware reden van hun belangstelling had geweten, zou hij het mij toch hoogst kwalijk hebben genomen dat ik niet alleen het vertrouwen van zijn opdrachtgever had geschonden, maar ook zijn naam en faam van goede bisschop in de waagschaal had gesteld.