Museum verwijdert oudere schrijvers

In het heringerichte Letterkundig Museum in Den Haag is geen plaats meer voor 25 oudere schrijvers. “Het was een moeilijke selectie, want onder de afvallers waren veel auteurs die ik ken en bewonder”, zegt museumdirecteur Anton Korteweg.

AMSTERDAM, 25 NOV. 'Behoorlijk gekrenkt', 'verontwaardigd' en zelfs 'pissig'. Zo voelen zich de schrijvers die het slachtoffer zijn geworden van een recente herinrichting van het Letterkundig Museum in Den Haag. Twee weken geleden kregen 25 vooral oudere Nederlandse auteurs - onder wie Willem Brakman en Alfred Kossmann - een brief waarin directeur Anton Korteweg meedeelde dat de semi-permanente expositie Gaan waar de woorden gaan 'geen plaats' meer voor hen bood. In de nieuwe opstelling, die aanstaande donderdag officieel door staatssecretaris van Cultuur Aad Nuis geopend wordt, hebben ze plaatsgemaakt voor jonge schrijvers als Ronald Giphart, Arnon Grunberg en Hermine Landvreugd.

Een 'onvermijdelijke reshuffle' noemt de directie van het Letterkundig Museum de nieuwe expositie, die mikt op de middelbareschooljeugd, en die de nadruk legt op tijdschriften, stromingen en tendensen in de Nederlandse literatuur sinds 1750. De 75-jarige Willem Brakman, winnaar van de P.C. Hooftprijs en niet opgenomen in wat al spottend wordt aangeduid als de Literary Hall of Fame, spreekt over een 'brute overval'. “Wat de heer Korteweg zich niet realiseert is dat de literatuur juist vaak gedragen wordt door eenlingen zoals ik, die zich niets van trends aantrekken. Ik heb teruggeschreven dat ik had verwacht dat hij aan mijn P.C. Hooftprijs wel enige substantie zou toekennen, maar een antwoord heb ik niet gekregen. Wat wil je ook bij een man die durfde te schrijven dat ik 'na zorgvuldige afweging' was afgevallen.”

Anton Korteweg betreurt het dat schrijvers 'boos en bedroefd' hebben gereageerd; welke wil hij niet zeggen, maar hij vertelt dat er vergeleken met de oude opstelling (uit midden jaren tachtig) ongeveer 50 auteurs uit de vitrines zijn verwijderd, van wie 25 levende: onder meer Willem van Toorn, Ellen Warmond, H.C. ten Berge en Jacques Hamelink. “Van de 6.000 schrijvers konden we er 200 in de tentoonstelling opnemen. Het was een moeilijke selectie, want onder de afvallers waren veel auteurs die ik ken en bewonder. Omdat we ook een jonger publiek willen bereiken, hebben we gewerkt als een literatuurgeschiedenis: we leggen duidelijke accenten, zijn geen encyclopedie die iedereen evenveel aandacht geeft. Alleen de allergrootsten zijn opgenomen.”

Korteweg, die de inhoud van zijn rondzendbrief niet openbaar wil maken (“dat is iets tussen mij en de schrijvers”), zegt dat hij de schrijvers de schaamte wilde besparen dat ze er tijdens de opening achter zouden komen dat ze niet in de vitrine lagen. “Trouwens: het mag dan een eer zijn om in het Letterkundig Museum te liggen, een schrijver zou er meer belang aan moeten hechten dat zijn boeken gelezen en gekocht worden. Wij zijn niet te vergelijken met een kunstmuseum, waarin de exposities voor schilders van levensbelang zijn als springplank voor bekendheid.”

Pagina 11: 'Populariteit en jeugd zijn in trek'

Dat laatste wordt beaamd door Alfred Kossmann (1922), gelauwerd schrijver van bijna dertig romans. Net als veelvuldig prijswinnaar Henk Romijn Meijer (1929), die 'gruwt van het Duitse idee om schrijvers in groepen en stromingen in te delen', zal hij donderdag verstek laten gaan bij de feestelijke opening. Kossmann: “Ik heb de vorige tentoonstelling nooit bezocht, dus ik weet niet hoe ik erbij lag. Anton Korteweg meldde dat mijn werk verwijderd was ten gunste van dat van Möring en Grunberg en een paar andere jongeren die twee of drie boeken op hun naam hebben staan. De generatie waartoe ik behoor is op een paar grote namen na geschrapt. Maar wat geeft dat eigenlijk?”

De dichter H.C. ten Berge (1938) denkt er anders over. “Als er iets belangrijk is voor de culturele opvoeding is het het onderwijs. Dan is het triest om te horen te krijgen dat je voor de schoolklassen in het Letterkundig Museum niet meer zal bestaan. In mijn geval is het extra vreemd dat ik niet eens een voetnoot waard ben, omdat ik dertien jaar lang betrokken ben geweest bij een tijdschrift, Raster. En grappig genoeg ben ik niet alleen vier jaar bestuurslid van het Letterkundig Museum geweest, maar heb ik vorig jaar ook nog uit handen van Anton Korteweg de Constantijn Huygensprijs gekregen.”

Voor Willem Brakman is de herinrichting van het Letterkundig Museum een knieval voor de commercialisering van de cultuur. “De kunst schuift op naar de vermaaksindustrie, het zijn jeugd en populariteit die tellen. Het is ironisch dat ik over het hoofd ben gezien, aangezien ik in mijn werk tot uitputtens toe de rijkdom en kleur van het individuele heb verdedigd tegenover de massificatie van de samenleving. De brief van Korteweg had ik eerst in de prullenmand geflikkerd, maar daarna heb ik hem weer gladgestreken en aan mijn biograaf doen toekomen; zoiets verdient een plaatsje in het Letterkundig Museum. De nieuwe expositie heet Gaan waar de woorden gaan - God verhoede dat de woorden van Anton Korteweg ons voorland zijn.”

    • Pieter Steinz