In één klap heel veel armer geworden

Na vernielingen en berovingen van beeldende kunst richt de aandacht in de media zich altijd het eerst op geld. Want sinds een jaar of vijftien heeft de commercie de kunst in een ijskoude, dodelijke greep. Steeds moeilijker wordt het daardoor om onbevangen naar een Vermeer of een De Kooning te kijken. Het publiek weet tegenwoordig van veel schilderijen wat ze 'waard' zijn zonder ze ooit gezien te hebben.

De levensloop van Barnett Newman en de wijze waarop zijn 68 schilderijen tot stand kwamen, staan haaks op dit verhaal van hebzucht. Newman schilderde zijn Cathedra in 1951, in zijn atelier in Uptown Manhattan. Hij was toen 46 jaar oud. Drie jaar eerder had hij ontdekt in welke richting zijn werk zich zou moeten ontwikkelen: grote monochrome, van kleur verzadigde vlakken, verticaal doorsneden door een of meer smalle contrasterende kleurbanen.

Niemand zat daar op te wachten. Newmans twee solotententoonstellingen in 1950 en 1951 waren al met louter hoon en negatieve kritiek ontvangen. Dat valt niemand te verwijten, want Newman was volkomen origineel. Zijn werk kon met niets anders worden vergeleken. New York was in de ban van de abstract expressionisten rond Willem de Kooning en Jackson Pollock. Hun werk werd gedragen door de expressieve lijn en verftoets - en Newman leek die nu juist uit te wissen.

Maar in 1965 vertegenwoordigde Newman Amerika op de Biënnale van São Paulo. En nu is hij wereldberoemd. De musea die doeken van hem bezitten, exposeren deze steevast op een prominente plaats. Jarenlang was Who is afraid of Red, Yellow and Blue, dat in 1986 vernietigd is, het kloppend hart van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Het motief voor de vernieling van Cathedra is hetzelfde als in 1986: wrok tegen de abstractie. Abstracte kunst is bedrog, het is kunst waar je eerst iets over moet lezen voor je snapt waar het over gaat. Maar waarom Newman? Waarom niet een minimalistische, totaal abstracte dozen-sculptuur van Donald Judd? Judd neemt in het beleid van Rudi Fuchs dezelfde positie in als Newman dat deed bij Edy de Wilde, die de drie Newmans voor het Stedelijk verworven heeft.

Het heeft te maken met wat Newman met hart en ziel nastreefde: het oproepen van een intense, haast fysieke ervaring van het 'sublieme'. Newman baseerde zich op de ideeën van de 18de-eeuwse filosoof Edmund Burke. Het 'sublieme' kwam in de schilderkunst naast en tegenover het idee van louter schoonheid te staan, dat vanaf de Renaissance de Westerse kunst beheerste.

Het sublieme is een belichaming van twee uitersten: genot en angst. Het is zoiets als de huiver die zich van ons meester kan maken wanneer we oog in oog staan met een ontzagwekkend natuurverschijnsel. Een soortgelijke huiver over het noodlot bepaalt de kracht van de Griekse tragedie. Het sublieme is volgens Burke: 'Leegte, Duisternis, Eenzaamheid en Stilte'. Subliem zijn onder andere: grootheid van dimensie, oneindigheid, opeenvolging en uniformiteit van delen, luister en schittering, verblindend licht - allemaal aspecten die een rol spelen in de schilderijen van Newman.

De titel Cathedra verwijst naar de meest heilige plaats, de troon van God in het Oude Testament. Newman wilde met zijn schilderijen een sterke ervaring van het hier, het nu teweegbrengen. Het is een heraldisch beeld, het dringt zich op en maakt alles wat er bij in de buurt hangt poeslief. Je zou dit misschien kunnen vertalen als agressief. Het is ook een ongenaakbare schilderkunst, want er staat niets op, er wordt geen verhaal verteld. Er zijn alleen de twee 'zips' die het doek verdelen volgens de Gulden Snede.

Cathedra is ook een bijzonder kwetsbaar, teder, delicaat schilderij. Het is niet te restaureren. Het is handmatig gedaan, de blauwen creëren een ademende, levende textuur. De verf is onder de tape van de zips doorgesijpeld over het wit, de baan is rafelig, een trillende lichtschacht die na-echoot in de smalle, donkere streep rechts. Bovenal spreekt Cathedra van persoonlijke vrijheid, van autonomie - een vrijheid die we konden ervaren door ernaar te kijken.

De zeldzaamheid van kunst maakt het belang van openbaarheid des te groter. Maar de ervaring van het publiek verschraalt: door te hoge prijzen die aankopen onmogelijk maken, door beveiligingen die het zicht benemen, en door destructie. Met de vernietiging van Cathedra zijn wij allen in één klap veel armer geworden.