Grote staking dreigt in stads- en streekvervoer

De inzet van de chauffeurs in het streekvervoer is het behoud van hun baan, als hun bedrijf na een openbare aanbesteding wordt overnomen door een commercieel bedrijf. De chauffeurs trotseren hiermee de opvattingen terzake van minister Jorritsma (Verkeer).

ROTTERDAM, 25 NOV. De kans is groot dat er landelijke stakingen komen in het stads- en streekvervoer als de provincies Groningen en Drenthe weigeren vóór morgenmiddag twaalf uur de werkgelegenheid van de buschauffeurs in hun regio te garanderen. Dat zegt bestuurder Ketting van de Vervoersbond FNV.

Tussen tien uur 's ochtends en drie uur 's middags hielden 1.200 chauffeurs van de twee noordelijke streekbusmaatschappijen gisteren een wilde staking, waarmee zij protesteerden tegen dreigend verlies van banen als gevolg van toenemende concurrentie in het streekvervoer.

“In het hele land zijn aanbestedingen, zoals die nu in het noorden voor onrust zorgen, heel dichtbij”, aldus Ketting. “Het is dan niet zo moeilijk de betrokkenen overal te mobiliseren. Bovendien zijn de afspraken over de werkgelegenheid - minister Jorritsma komt die niet na - twee jaar geleden met landelijke acties afgedwongen.”

Als de vervoersbonden tot een landelijke staking besluiten, betekent dat niet dat het stads- en streekvervoer met in totaal 21.000 werknemers binnen enkele dagen 'plat' ligt. Ketting zegt dat de bonden eerst een ultimatum zullen stellen, hun plan aan de leden zullen voorleggen en de juridische aspecten zorgvuldig zullen bekijken.

De chauffeurs vinden steun bij J. Laan, die voorzitter was van de commissie die zich in 1995 boog over de werkgarantie van buspersoneel bij de komst van concurrentie in het openbaar vervoer. Via de Wet personenvervoer of via de bestekken van de aanbesteding moeten er meer garanties komen voor het personeel, zo oordeelde de commissie-Laan.

Volgens de Amsterdamse hoogleraar arbeidsrecht mr. P.F. van der Heijden maken de vervoersbonden zich terecht zorgen over de werkgelegenheid van het personeel in het stads- en streekvervoer. De geruststellende uitspraak van minister Jorritsma dat het Burgerlijk Wetboek voldoende garanties biedt voor het behoud van werk en dat er derhalve voor de aanbestedingsprocedures in het openbaar vervoer geen aparte wettelijke regelingen nodig zijn, is volgens Van der Heijden niet terecht. “De zaak lijkt mij een stuk gecompliceerder dan Jorritsma doet voorkomen.”

Het Burgerlijk Wetboek bevat de Wet overgang ondernemingen, waarin onder andere is bepaald dat de koper van een bedrijf verplicht is al het personeel over te nemen. Van der Heijden: “Maar dat is hier niet aan de hand. Het gaat hier niet om een overname, maar om een aanbesteding. Dat betekent dat er nieuwe aanbieders kunnen komen die het vervoer op die bepaalde lijn overnemen, ik neem aan met eigen mensen en eigen materieel. Er wordt gewoon een contract gesloten met bedrijf B in plaats van met bedrijf A. En concurrenten zijn natuurlijk niet verplicht om elkaars mensen over te nemen.”

Volgens Van der Heijden zou het veel te ver gaan het Burgerlijk Wetboek aan te passen, alleen om de garanties voor het personeel in het openbaar vervoer aan te scherpen.

In de schoonmaaksector, waar het heel gebruikelijk is dat een project overgaat van de ene op de andere aanbieder, is in de CAO de bepaling opgenomen dat de werknemers op dat project bij de nieuwe aanbieder in dienst kunnen komen. Van der Heijden: “Zo'n bepaling zou ook in een vervoers-CAO kunnen worden opgenomen. Maar dan zou je wel zeker moeten weten dat die CAO algemeen verbindend wordt verklaard en dus voor alle vervoersbedrijven geldt. En zo'n bepaling is ook niet op een achternamiddag in elkaar getimmerd.”