Geen moreel verschil

In haar wekelijkse kroniek in Z schrijft Elsbeth Etty op 22 november over de discussies die zij, indertijd lid van de CPN, had met haar vader, een “zeer rechtse VVD-stemmer”. Zij eindigt haar artikel met de volgende woorden, die ik hier letterlijk weergeef:

“Hoe graag had ik hem (haar vader), als prikkelende bijdrage aan ons piepkleine debatje, niet het bericht voorgelegd uit het blad De Journalist van 14 november j.l. Daarin bekent J.L. Heldring dat hij in 1959 als redacteur van een liberale krant 'enigszins bevangen door de Koude Oorlog', in opdracht van een inlichtingendienst een reis naar de Sovjet-Unie heeft gemaakt.”

Behalve het jaar - 1959 moet 1960 zijn - klopt het wat Elsbeth Etty schrijft. Daarbij wil ik de volgende aantekeningen maken. Eerst van meer technische aard: De Journalist, die ik niet gelezen heb, moet dit bericht ontleend hebben aan een radio-uitzending van de VPRO op 9 november.

In die uitzending, die ik niet gehoord heb, moet een bandje zijn afgedraaid van een telefoongesprek waarin ik tegenover een medewerker van de VPRO vertelde van die reis naar de Sovjet-Unie. Hoeveel van dat telefoongesprek is uitgezonden, weet ik niet. Maar zoals gezegd, in grote lijnen klopt het verhaal van Elsbeth Etty, die de uitzending waarschijnlijk ook niet gehoord heeft (althans het blijkt niet uit wat zij schrijft).

Maar met deze technische aantekeningen wil ik niet volstaan. Hoe is die reis tot stand gekomen en waarom heb ik die uitnodiging aanvaard? Het jaar tevoren had ik in opdracht van de krant een bezoek aan Polen gebracht, en daarover had ik een reeks artikelen geschreven, die nogal optimistisch - te optimistisch achteraf - waren jegens het regime van Gomulka, die in 1956, tegen de wil van de Sovjet-Unie, aan de macht was gekomen.

Die artikelen hadden kennelijk de aandacht van een inlichtingendienst van de regering - welke weet ik niet (of niet meer) - getrokken, en deze benaderde de toenmalige hoofdredacteur met de suggestie dat ik ook zo'n reis - maar dan betaald door die dienst - naar de Sovjet-Unie zou maken. De hoofdredacteur had daar niets tegen, en ik - weer door hem benaderd - ook niet.

'Bevangen door de Koude Oorlog' - ik neem aan dat ik die woorden door de telefoon heb gezegd ter gedeeltelijke verklaring van mijn instemming met het voorstel van die dienst. Inderdaad werd in die jaren de Sovjet-Unie als de grote tegenstander beschouwd, en dat deed ik ook - zij het dat mijn houding tegenover de Sovjet-Unie niet zozeer ideologische of morele als wel machtspolitieke gronden had.

Hoe het ook zij - ik zag in die uitnodiging een kans iets te zien te krijgen van de Sovjet-Unie, waarover ik zo vaak schreef. Die kans kon de krant mij niet bieden. Ruim tien jaar tevoren had ik iets soortgelijks gedaan: in 1949 kreeg ik het aanbod om in dienst van Buitenlandse Zaken naar de Verenigde Staten te gaan, teneinde daar voorlichting te geven over Nederland en het Nederlandse beleid.

Dat heb ik gedaan - eveneens omdat de krant een Amerikaanse ervaring van mij toen niet kon bekostigen - en ik ben ruim vier jaar in dienst van BZ in de VS geweest. In dienst: dat was dus nog een sterkere verbinding dan ik in 1960 met die inlichtingendienst was aangegaan. Niettemin heb ik mij, na vier jaar teruggekeerd bij de krant, nooit geremd gevoeld in mijn eventuele kritiek op BZ.

Mede daarom zal ik, toen ik in 1960 die uitnodiging kreeg, waarschijnlijk niet op het idee zijn gekomen dat hier wel eens een conflict van belangen zou kunnen ontstaan (ik moet hier reconstrueren, want mijn geheugen is niet feilloos). Ik moet bekennen dat, hoewel ik er na 37 jaar iets anders tegenaan kijk, ik zo'n conflict nog niet kan ontwaren.

Wat waren mijn verplichtingen jegens die inlichtingendienst? Ik moest mijn ogen openhouden en op bepaalde dingen letten, waar ik sowieso op gelet zou hebben. Verder verwachtten ze van mij een rapport. Dat heb ik ook geschreven. Er stond niet veel meer in dan wat iedere toerist die zijn ogen openhoudt, zou schrijven. Ik ging namelijk als toerist en was in handen van Intoerist. Het is mij een raadsel gebleven waarom die dienst dáárvoor mijn reis naar de Sovjet-Unie betaalde. Waarschijnlijk moest besteed worden wat op de begroting stond. Ik heb er later nooit meer iets van gehoord.

Elsbeth Etty schrijft nu de door mij geciteerde passage: “Mijn vader zou beslist in woede zijn ontstoken als ik Heldring had vergeleken met een CIA- of BVD-agent. Waarop ik dan, sussend, had kunnen zeggen: 'Vergelijken is iets anders dan gelijkstellen. Maar maakt dat verschil moreel iets uit'?”

Tot goed begrip: die twee laatste zinnen zijn de woorden waarmee ik mijn artikel van 18 november besloot - zij het niet helemaal letterlijk, maar alla. In dat artikel had ik betoogd dat er zeker verschillen, ook in de praktijk, waren tussen communisme en nationaal-socialisme, en had ik de vraag gesteld of die verschillen moreel iets uitmaakten.

Elsbeth Etty's vraag of het verschil tussen iemand die, zoals ik, op kosten van een inlichtingendienst de Sovjet-Unie bezocht en een CIA- of BVD-agent moreel iets uitmaakt, is dus gerechtvaardigd. Mijn antwoord erop luidt: nee, voor mij niet. Sterker: ik zie ook geen moreel verschil tussen mijn reis naar de Sovjet-Unie en die van een sovjetspion naar Nederland.

Voor een verklaring grijp ik terug naar wat ik eerder schreef: mijn houding tegenover de Sovjet-Unie had niet zozeer ideologische of morele als wel machtspolitieke gronden. Een anticommunist in de traditionele zin van het woord ben ik dan ook nooit geweest. Anders zou ik ook tegen de Poolse communist Gomulka, die zich enigszins van de Sovjet-Unie losweekte, zijn geweest, en helemaal tegen de communist Tito. Maar hun pogingen zich min of meer zelfstandig van de Sovjet-Unie te maken juichte ik toe. Ik zag daar een ondermijning van haar machtspositie in.

In die visie op de Koude Oorlog - die door weinigen (ook van rechts) in het Nederland van toen gedeeld werd - vond ik inlichtingendiensten een heel normaal verschijnsel. Dat vind ik trouwens nog, al zal ik nu niet meer zo gauw op een uitnodiging van zo'n dienst ingaan. Maar 1997 is 1960 niet.