Elizabeth, gezalfde van het volk

Nog maar vijf jaar geleden schreven bedaarde commentaarschrijvers in de Britse pers dat de Windsors hun langste tijd hadden gehad. De kosten van de monarchie waren de pan uit gerezen, de Britse kroonprins had zijn huwelijksformulier ontwijd en koningin Elizabeth leek haar Huis niet meer in de hand te hebben.

Het republikeinse debat in kranten als The Sunday Times en The Guardian bloeide op als nooit tevoren en als klap op de vuurpijl publiceerde Andrew Morton, naar later bleek in innige samenwerking met de hoofdpersoon, zijn onthullingen over het martelende huwelijksleven van prinses Diana.

Zelfs de meest toegewijde aanhangers van de Britse monarchie zouden geen cent meer geven voor de aandelen Windsor - als die op de beurs genoteerd zouden zijn. Aan het eind van dat noodlottige jaar (1992: 'annus horribilis') hadden de Windsors, volgens vriend en vijand, zichzelf een onherstelbare slag toegebracht en was hun belangrijkste particuliere verblijf, Windsor Castle, door een omineuze brand gedeeltelijk in de as gelegd.

Maar hoe diep de monarchie in de opiniepeilingen op dat moment ook mocht zijn gezonken, voor de historisch georiënteerde waarnemer stond vast dat de Phoenix van Windsor eerlang uit zijn as zou herrijzen. Ook de meeste peilingenexperts wezen er op dat de geschiedenis voortdurend golfbewegingen laat zien die de curve nu eens omhoog jagen en dan weer omlaag. Volgens die theorie zou de zeven eeuwen oude monarchie, door hoeveel tegenslagen ze nog getroffen mocht worden, elke ramp overleven.

De cosmetische adviseurs van het paleis hebben uit die historische wet nieuw zelfvertrouwen geput en daar vorige week bij de viering van het 50-jarig huwelijksfeest van Elizabeth en Philip hun tactiek op ingesteld. Stop koningin Elizabeth een ballon in haar hand met de opdruk 'Gelukkige trouwdag', laat haar handenschuddend een rondje maken langs de buiten wachtende menigte, inviteer ten slotte drie gewone mensen uit het volk op je verjaardagsbanket, en alles komt goed.

The Times van zaterdag meende met weekhartige ernst dat zich vorige week een klein wonder aan de Engelsen had geopenbaard: Elizabeth had zich met een lach op haar gezicht en een uitgestoken hand in de menigte begeven en daarmee aangetoond dat “haar informaliteit haar waardigheid geen geweld hoeft aan te doen”. Met haar vertoon van spontaniteit had ze de vruchten geplukt van “het betonen van een beetje menselijkheid”, zoals ze eerder in haar televisietoespraak na de dood van prinses Diana had gedaan.

Je moet tamelijk onnozel zijn om te geloven dat het lot van de monarchie van zulke eenvoudige dingen afhangt. Het is maar goed dat er nog bevindelijke voorgangers zijn die zulke moderne praatjes niet slikken, maar die ketterij te vuur en te zwaard bestrijden. Het gaat er helemaal niet om dat de koningin met haar tijd meegaat, schreef een Schotse predikant zaterdag in een ingezonden brief in The Times. “Het gaat erom, dat we de spirituele functie van de monarchie weer op ons laten inwerken.” Op dezelfde pagina waarop het hoofdartikel van de krant de personalistische kwaliteiten van de monarchie omhoog stak, herinnerde de hoogeerwaarde briefschrijver eraan dat de monarchie geen democratische instelling is, nog veel minder een schepping van de publieke opinie, maar een symbool waarop het stempel van de goddelijke ordonnantie is gedrukt.

De godgeleerde schrijver, dr. Ian Bradley, leek me geen vrolijke debater, maar hij stelde zich op een standpunt waarvan de meeste geleerden niet terug hebben. Britse koningen en koninginnen, schreef hij, “worden bij hun kroning gewijd volgens een ritueel dat zijn oorsprong vindt in oudtestamentische tijden en dat het spirituele karakter van hun ambt onderstreept”. Vandaar: gezalfde des Heren, 'koning bij de gratie Gods', 'Verdediger en Beschermer van het Geloof'. Britse koningen, aldus de Schotse briefschrijver, zijn krachtens de eed op hun ambt “in de eerste plaats verantwoordelijk tegenover hun schepper, niet tegenover een wispelturige publieke opinie die zich zo gemakkelijk laat leiden en manipuleren door de massamedia”.

De oplettende toehoorder zal het niet zijn ontgaan dat de Britse koningin in haar tafelrede op haar people's banquet iets zei dat daar diametraal tegenover stond. Ze zei: “De monarchie wordt weliswaar niet regelmatig aan het oordeel van de stembus onderworpen, maar ze zal ophouden te bestaan als de kiezers vinden dat ze haar functie heeft verloren.”

Het leek bijna een nieuw grondrecht: hoezeer het koningschap ook een goddelijke instelling moge zijn, als de mensen er geen behoefte meer aan hebben, zal ik mijn biezen pakken. Zo behouden de mensen de illusie dat zij het laatste woord hebben en wordt de democratie tevreden gehouden. Het is de ironie van het 'spirituele karakter' van de Britse monarchie: al naar gelang het haar uitkomt spreekt de regering over de monarchie in gewijde termen of in alledaagse taal. In beide gevallen zeggen de toehoorders: ja en amen.

Intussen is die spirituele, dan wel religieuze natuur de redding van de noodlijdende Britse monarchie die enkele jaren geleden volgens velen nog tot de ondergang gedoemd leek. De 'spirituele essentie' volgens de Schotse leer (“a divinely instituted symbol and mystery”) maakt het door hogere machten gelegitimeerde Britse koningschap ongrijpbaar voor de democratie en immuun voor de schommelingen van de openbare mening.

In tijden van nood transformeert de monarchie zichzelf tot mysterie om alle politieke kritiek en gemor van het grauw weer voor lange tijd tot bedaren te brengen. En mochten er nog andere gevaren op de loer liggen, dan zullen de Britten weten wat hun volkslied betekent. “God zal de Koningin redden”, schreef de montere Schotse dominee - “niet de publieke opinie en zeker niet de media.”