De elite heeft er zelf om gevraagd

De bijna rituele slachting van het schilderij van Barnett Newman door Van B. is volgens Stedelijk Museum-directeur Rudi Fuchs “niet alleen een aanslag op een schilderij en een museum, maar ook op een cultuur waarin musea dit soort schilderijen ophangen”. Fuchs heeft ongetwijfeld gelijk.

Tijdens het proces voor zijn eerste 'stanleymes-moord' op een schilderij van Newman verklaarde Van B. dat hij “namens een heleboel mensen die emotionele gevoelens hebben over realisme, de dominantie van de abstracte kunst had willen reduceren”. Het realisme waar hij op doelt, een realisme waar velen zich in kunnen herkennen, komt in de musea voor moderne kunst nauwelijks voor. Daar heerst een andere opvatting van cultuur dan die waarvoor Van B. op de bres meent te moeten springen.

Ik bedoel dat niet cynisch. Van B. is een kunst-hooligan. Maar al zal zijn fysieke daad geen brede bijval vinden, zijn ongenoegen zal dat wel. De laatste tijd wordt er in brede kring steeds luider over geklaagd dat de cultuur waar de musea voor moderne kunst een representant van zijn, de cultuur dus die officieel de 20ste eeuw vertegenwoordigt, een elite-cultuur is.

Die klacht is oud, en hij is absoluut terecht. Dat wat in de musea hangt, in de concertzalen wordt uitgevoerd en in de kleine theaters wordt gespeeld is in eerste instantie geselecteerd door een betrekkelijk kleine groep en richt zich daar ook op. Het is elite-kunst, althans in de basis. De groep die uitmaakt wat hoogwaardige kunst is en wat niet, museumdirecteuren, grote verzamelaars, theoretici en kunstenaars in het geval van de beeldende kunst, vormen samen een tamelijk open circuit.

Daarbinnen worden uit een overweldigende hoeveelheid artistieke uitingen een paar dingen geselecteerd die naar de mening van de elite historie schrijven en waar zij geld voor uit wil geven, particulier geld, maar in ons land vooral (al is dat bedrag verhoudingsgewijs gering) overheidsgeld, geld dus van de belastingbetaler. Deze gaat daarmee akkoord zoals hij of zij akkoord gaat met uitgaven voor defensie of ontwikkelingshulp: het moet nu eenmaal en protest heeft toch geen zin.

Dat wordt anders wanneer uit onverdachte hoek, de hoek van de specialisten zelf, kritiek komt, zoals in het recent verschenen boek De gijzeling van de beeldende kunst van kunstenaar Riki Simons of eerder in het boek De nieuwe salon van kunstenaar Diederik Kraaijpoel.

Dan breekt een gezwel van ongenoegen open, niet, zoals je misschien zou verwachten, bij de grote groep die sowieso niet in het museum komt, die volhardt in zijn onverschilligheid, maar juist bij hen waar de elite-cultuur steun bij zou moeten vinden: de intelligentsia. Van Volkskrant-columnist Gerry van der List tot NRC Handelsblad-columnist Ileen Montijn wordt de hedendaagse kunst in het algemeen en de beeldende kunst in het bijzonder als een deftige vorm van zwendel voorgesteld, een hobby die een exclusieve groep op kosten van anderen uitleeft.

Hoe komt het dat mensen die weten dat wat wij nu als kunstschatten beschouwen nooit een zaak is geweest van de grootste gemene deler, dit vergeten als het over moderne kunst gaat? Waarom haken zij aan bij de tendens om de waarde van kunst steeds meer te vertalen in economische termen: wat kost het, wat levert het op?

Ik denk dat dat komt doordat het idee dat kunst wordt gedragen door een culturele elite verdacht is geworden: bij die elite zelf. Zij durft zichzelf niet meer te zien als een groep, hoe diffuus ook, maar een groep, die iets te verdedigen heeft: manieren van voelen en denken die niet gebruikelijk zijn. En omdat zij dat niet durft, is ook zij vatbaar voor termen als kijkcijfers en rendement, economische termen dus.

Ik geef toe, het is gênant om in de krant te lezen dat het vernielde schilderij van Newman “een hemels visioen” heet te zijn en om Rudi Fuchs te horen verklaren dat het doek “té zuiver” was, waardoor mensen “zich als graffiti-spuiters voor een witte muur gaan gedragen”. Door dit soort bigotterige taal wordt het idee dat moderne beeldende kunst, zoals Riki Simons schrijft, een zaak is voor ingewijden, alleen maar bevestigd.

Kunst is geen incestueuze affaire, maar een bijzondere vorm van spreken over de werkelijkheid, de werkelijkheid van alledag en de werkelijkheid van alle tijden. Daar zijn normen en waarden aan te verbinden, en begrippen als kwaliteit, engagement, utopie en identiteit.

Het publieke debat daarover ontbreekt, eerst en vooral bij wie dat debat zou moeten voeren: de elite die zichzelf niet meer zo durft te noemen. En daarmee roept zij een cultuur van stanleymessen over zichzelf uit.

    • Anna Tilroe