Canada worstelt met 'goede' moord

In Canada is een openbaar debat ontbrand over onvrijwillige euthanasie. De maatschappij weet er niet goed raad mee.

MONTREAL, 25 NOV. Tracy Latimer blies op een koude zondagmorgen in 1993 haar laatste adem uit in de bestelwagen van haar vader. Hij had het twaalfjarige kind naar het voertuig gedragen op het erf van zijn afgelegen boerderij in de centraal-Canadese deelstaat Saskatchewan, en pompte, terwijl de rest van zijn gezin op kerkbezoek was, dodelijke uitlaatgassen de wagen binnen. Tegenover de politie verklaarde hij later dat hij had gehandeld uit medelijden met zijn dochter. Tracy leed sinds haar geboorte aan hersenverlamming en was zwaar gehandicapt. Ze zou spoedig een verminkende heupoperatie ondergaan. Haar vader zou haar verder lijden hebben willen besparen.

Nu, vier jaar, twee strafzaken en twee veroordelingen later, weet de Canadese maatschappij zich nog steeds niet goed raad met de 44-jarige Robert Latimer. Zijn advocaat heeft vergeefs gepleit voor vrijspraak; op basis van de feiten - met name Latimer's volledige bekentenis - bevond een jury hem deze maand voor de tweede maal schuldig aan moord. De rechter doet komende week uitspraak over de straf, maar veel Canadezen zijn bij voorbaat niet op hun gemak met het wettelijk minimum: levenslang, zonder enige kans op voorwaardelijke vrijlating binnen tien jaar. Een beruchte medeplichtige van een Canadese seriemoordenaar zit een kortere straf uit.

De zaak-Latimer heeft een vurig debat op gang gebracht in Canada over mercy-killing, of onvrijwillige euthanasie. Juridisch gezien draait de discussie om het beginsel dat het motief van een moordenaar er niet toe doet bij de vaststelling van het vonnis. Met andere woorden: iemand doden is, volgens de huidige wet in Canada, altijd moord. Dat principe is volgens critici echter achterhaald en in een zaak als die van Latimer onrechtvaardig. “Er bestaat een wereld van verschil tussen wat Latimer heeft gedaan en een roofoverval op een kruidenierswinkel waarbij de winkelbediende in het hoofd wordt geschoten”, aldus Peter Singer, ethicus van de Universiteit van Toronto. “Er is iets mis met een strafrecht waarin dat verschil niet wordt erkend.”

Singer en andere Canadezen bepleiten de formulering van een nieuw type delict, voorlopig geheten 'moord in de derde graad' of 'moord uit medelijden', om het hoofd te bieden aan zaken als die van Latimer. Een motief als het zijne zou daarbij, ondanks een schuldig-vonnis, kunnen leiden tot een lichtere straf dan levenslang, of zelfs tot vrijspraak. Een commissie van de Canadese Senaat heeft een soortgelijke aanbeveling gedaan. Aanvaarding van het idee zou een stap zijn op weg naar ruimere acceptatie van euthanasie in Canada.

Niet iedereen is het echter eens met de gedachte dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen moord en mercy-killing. Rita Wolfe, moeder van een zwaar gehandicapt kind, heeft op de stoep van de rechtbank waar Latimer wordt berecht, actie gevoerd tegen te veel maatschappelijk begrip voor de agrariër. “Wat Tracy Latimer is aangedaan, was geen liefdevolle daad,” protesteerde zij. “Tracy werd gedood op de dag dat de liefde van haar ouders op was.” Volgens Mel Graham van de Raad van Canadezen met Handicaps zou legalisering van 'moord uit medelijden' bovendien de levens van andere gehandicapten in gevaar brengen. Met welk recht, vraagt hij zich af, “kan de gevestigde meerderheid ooit beschikken dat de levens van mensen met zware handicaps niet waard zijn geleefd te worden?”

Anne McLellan, de Canadese minister van Justitie, heeft laten weten weinig te voelen voor regulering van mercy-killing. Haar agenda dreigt echter in de war te worden gestuurd door een motie van de sociaal-democratische oppositie, voor een strafrechtelijke regeling rond euthanasie. De motie wordt binnenkort tot een vrije stemming gebracht in het Lagerhuis in Ottawa. McLellan heeft zich wel bereid verklaard in sommige moordzaken soepelere vonnissen toe te staan.

Die bereidheid kan de komende week worden beproefd met de bestraffing van Latimer. Zijn advocaat, Mark Brayford, heeft bepleit dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op de voorgeschreven levenslange gevangenisstraf, omdat het een “wrede en abnormale bestraffing” zou zijn. Brayford verloor dat argument aan het einde van Latimers eerste rechtszaak in 1994, een proces dat later om procedurele redenen nietig werd verklaard door het Canadese Hooggerechtshof. Deze keer beschikte hij echter over een uitdagende aanbeveling van de jury: dat Latimer al na een jaar cel in aanmerking komt voor voorwaardelijke vrijlating.

“Tien jaar is te veel wat mij betreft,” verklaarde een van de juryleden, tot bijval van de andere, na de veroordeling op het nationale televisienieuws. Hoewel de jury in beginsel slechts een straf kan aanbevelen binnen de grenzen van het strafrecht, was volgens Brayford “geen overtuigender argument denkbaar” om nu met het strafrecht te breken. Robert Latimer, betoogde hij, “mag niet over één kam worden geschoren met geweldplegers en moordenaars.”

    • Frank Kuin