Advies over geroofd goud; 'Opbrengst besteden aan joodse doelen'

DEN HAAG, 25 NOV. Het leeuwendeel van het door de nazi's geroofde goud waarop Nederland nog aanspraak kan maken, moet gebruikt worden voor joodse projecten in eigen land. Dat heeft de Contactgroep Tegoeden WO II het kabinet geadviseerd.

Commissievoorzitter J. van Kemenade heeft dit gisteren bekendgemaakt. De commissie wijkt daarmee af van het standpunt van de Amerikaanse onderminister van Handel, Eizenstat, die eerder onderzoek deed naar de herkomst van het goud.

Nog steeds is 5,5 ton 'monetair' goud - goud dat door de nazi's werd gestolen uit de nationale banken van onder meer Griekenland, Nederland, Polen en Oostenrijk - niet verdeeld onder de landen die er aanspraak op maken. De huidige waarde ervan bedraagt ruim honderd miljoen gulden.

Uit onderzoek van Eizenstat blijkt dat het niet alleen om monetair goud gaat, maar ook om omgesmolten goud van slachtoffers van de holocaust. Daarom heeft hij gesuggereerd het geld te gebruiken voor een internationaal fonds voor behoeftige nazi-slachtoffers.

Maar volgens Van Kemenade leidt dat tot “versnippering”. In overleg met joodse organisaties heeft hij daarom voorgesteld het Nederlandse deel (waarschijnlijk ongeveer 1,2 ton goud ter waarde van circa 20 miljoen gulden) te gebruiken voor inmiddels bejaarde slachtoffers in Nederland en daarbuiten, voor de verzorging van joodse graven en voor projecten die de joodse identiteit uitdragen.

Een klein deel van het geld - Van Kemenade denkt aan ongeveer vijf procent - zou ten goede moeten komen aan niet-joodse slachtoffers van de nazi's. De Nederlandse regering zal over dit voorstel nog moeten onderhandelen met andere belanghebbenden.

De commissie-Van Kemenade heeft de regering onlangs ook geadviseerd een inventariserend onderzoek naar de 'Indische problematiek' te verrichten. Het kabinet heeft besloten dat onderzoek door het ministerie van VWS te laten uitvoeren.

Het onderzoek naar rechtsherstel met betrekking tot financiële tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog bij Nederlandse banken en verzekeraars is deze zomer eveneens ondergebracht in een aparte commissie onder voorzitterschap van mr. W. Scholten.

Scholten realiseert zich het “zeer delicate” karakter van de opdracht. Volgens hem bestaat er een “zekere spanning” tussen verantwoord wetenschappelijk onderzoek en de behoefte van belanghebbenden aan snelle informatie. Het historisch onderzoek wordt geleid door emeritus hoogleraar P. Klein. Scholten verwacht volgend najaar met de eerste conclusies te komen.

Scholten wees er overigens nadrukkelijk op dat zijn commissie zich niet zal bezighouden met individuele schadeclaims. Hij is bang voor “teleurgestelde verwachtingen”. Mede daarom zal er niet, zoals in Zwitserland, een lijst worden gepubliceerd van niet opgevraagde tegoeden. Wel wordt nog onderzocht of er een centraal meldpunt kan komen voor claims.

Volgens Van Kemenade hebben banken en verzekeraars individuele eisers tot nu toe zeer coulant behandeld.