Vissers en biologen twisten over visbestanden

Wederzijds onbegrip kenmerkt al lange tijd de relatie tussen vissers en visserijbiologen. Zij zien in de Noordzee zeer uiteenlopende visbestanden. Vandaag vergadert de Tweede Kamer over de begroting van visserij voor 1998 en natuurlijk over het dispuut vissers-biologen.

ROTTERDAM, 24 NOV. De Tweede Kamer vergadert vandaag over de begroting voor de visserij voor volgend jaar. Belangrijk in de discussie met de minister is het voortdurend onbegrip tussen visserijbiologen en vissers. Dat onbegrip is nijpend, omdat voor de Nederlandse visserij een aantal visbestanden van levensbelang is. De op de zeebodem levende schol, tong, kabeljauw en wijting zijn al tientallen jaren de voornaamste vissoorten voor de Nederlandse platvisvloot. De vriestrawlervloot is voornamelijk aangewezen op haring, makreel, horsmakreel en blauwe wijting.

De meeste van deze voor Nederland belangrijke vissoorten worden volgens de Europese visserijbiologen van het Advisory Committee for Fisheries Management (ACFM) al jaren te intensief bevist. In 1996 besloot de Europese Commissie op voorstel van het ACFM tot halvering van de quota voor haring. Halverwege dit jaar berichtte het ACFM dat de haringstand zich zeer goed aan het herstellen was.

Ook het quotum voor schol werd in enkele jaren met ruim de helft teruggebracht. Was dit in 1993 nog 175.000 ton, in 1997 bedroeg 't 77.000 ton. Halverwege dit jaar voorzagen de biologen herstel van het bestand. In 1998 zou de scholstand weer in de veilige zone terechtkomen. Op basis van dit advies besloot de Visserijraad onlangs tot een tussentijdse verhoging van het quotum tot 91.000 ton. Het scholadvies voor volgend jaar, dat enkele weken later werd uitgebracht, bevatte echter weer een reductie. Het ACFM adviseerde het scholquotum terug te brengen tot 82.000 ton. De tong verkeert volgens de biologen, evenals de schol, tijdelijk op een dieptepunt.

Het meest ingrijpende advies voor Nederland betreft dat voor de horsmakreel. Het paaibestand is sinds 1988 sterk gereduceerd. Geadviseerd wordt de horsmakreelvangsten te halveren.

De biologen signaleren een hoge zogeheten visserijsterfte, die ertoe leidt dat een visbestand onvoldoende gelegenheid krijgt zich te herstellen. De factor visserijsterfte wordt bepaald door de hoeveelheid vis die door de visserij aan een bestand wordt onttrokken. Maar er bestaat discussie over de vraag in welke mate de visserij bepalend is voor de totale visstand. Biologen stellen dat de visserij de grootste invloed heeft op de omvang van de visstand. Maar volgens de vissers kan bijvoorbeeld een strenge winter ook een groot deel van de tongstand vernietigen. Dergelijke factoren zijn vanzelfsprekend niet te beïnvloeden.

Het visserijbedrijfsleven heeft begin november opnieuw met verbazing en afkeuring kennis genomen van de biologische adviezen. Voorspellingen in 1997 beloofden vooruitgang van de visbestanden. Vele daarvan, zoals die van tong en schol, hebben een goede 'jaarklasse' voortgebracht. Dat geeft aan dat een bestand zich in een goede conditie bevindt, zo zeggen visserijvertegenwoordigers.

Een vaak terugkerend punt van kritiek onder de vissers betreft de methoden die de visserijbiologen gebruiken bij het schatten van de omvang van visbestanden. Mede door bezuinigingen in de onderzoeksprogramma's kunnen de biologen minder informatie op zee verzamelen, zo schatten de visserijbedrijven. Daardoor zijn ze meer aangewezen op de gegevens over wat de vissers aan de afslag brengen. Zij leiden hieruit onder meer af wat de vangstsamenstelling is, hoe de leeftijdverdelingen van de vissen is en in welk tempo de jonge aanwas van een bestand opgroeit tot volwassen vissen. Op basis van deze gegevens wordt de omvang van een bestand geschat.

Vissers hebben de afgelopen jaren echter sterk het idee gekregen dat biologen onjuiste conclusies trekken uit de analyse van die 'aanlandingsgegevens'. Zij vragen zich af of ze nog worden gecorrigeerd in situaties waarvan bekend is dat niet alle vangsten geadministreerd worden. Zo schrijft de Britse vakpers geregeld over 'grijze' en 'zwarte' vis, vangsten dus die buiten de officiële administratie worden gehouden. Als die gegevens zich ook onttrekken aan het oog van de visserijbiologen, zijn die niet meer in staat nauwkeurige schattingen te maken.

Ook wijzen Nederlandse platvisvissers op het gegeven dat de Nederlandse boomkorvloot de afgelopen drie jaren bewust scholbestekken heeft gemeden om te voorkomen dat zij vroegtijdig hun scholquotum zouden uitputten. De zogeheten visserij-inspanning is bovendien met twintig procent teruggebracht. Die visserij-inspanning wordt gemeten in aantallen zeedagen, de dagen die de schepen op zee mogen doorbrengen.

Onderzoek van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) in IJmuiden heeft op basis van een voorlopige analyse aangetoond dat de bepalende factor voor de huidige schatting van de visbestanden een onderschatting van het scholbestand geeft en tegelijkertijd een overschatting van het tongbestand. Het RIVO meent dat het scholbestand vijf procent hoger ingeschat kan worden. Maar de Nederlandse visserijsector kreeg niettemin te horen dat deze resultaten niet tot aanpassing van het ACFM-advies hebben geleid, omdat de analyse te beperkt zou zijn geweest.

Voorzitter drs. D.J. Langstraat van het Produktschap Vis zegt wel begrip te hebben voor de reactie van de vissers. Hij benadrukt daarbij het succes van de zogeheten Biesheuvelgroepen, clusters van vissers die elkaar onderling controleren op de naleving van het aantal afgesproken zeedagen, een systeem dat Langstraat betitelt als het poldermodel van de visserij.

Na de jaren van quota-overschrijdingen, waarin een grote afstand ontstond tussen overheid en vissers, is door overleg tussen beide partijen draagvlak ontstaan voor een nieuw beheerstelsel. De vissers zijn medeverantwoordelijk gemaakt voor handhaving van de quota. Sinds 1993 blijven de Nederlandse vissers binnen de hun toegewezen quota. Langstraat meent dat met de beheerste visserij van de Nederlandse vissers een wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan een 'verstandig beheer van visbestanden'. Hij kan dan ook niet begrijpen dat de factor visserijsterfte voor zowel schol als tong juist in 1997 opnieuw is gestegen.

De vriestrawlersector op zijn beurt heeft verbaasd gereageerd op het advies van het ACFM over het horsmakreelbestand. Hoewel al enkele jaren geen onderzoek meer wordt gedaan naar het horsmakreelbestand, heeft het ACFM geadviseerd het quotum voor horsmakreel in 1998 te halveren. Biologen onderbouwen dat advies met de stelling dat de vissers nog steeds vissen op de jaarklasse 1982. Dit zou betekenen dat de vissers voornamelijk grote vissen moeten tegenkomen. Reders geven echter aan dat de schippers op zee juist grote hoeveelheden kleine horsmakreel aantreffen.

Opvallend is dat door de Nederlandse vissers ook vraagtekens worden geplaatst bij het advies om het quotum voor kabeljauw in de Noordzee fors te verhogen. Biologen stellen dat de kabeljauw in de noordelijke Noordzee zich goed heeft kunnen herstellen. Op vragen vanuit de sector welke factoren hiertoe hebben bijgedragen heeft het ACFM als reden aangevoerd dat de Schotse vloot de afgelopen jaren fors gesaneerd zou zijn en dat veel visserij heeft plaatsgevonden in westelijk gelegen wateren.

Nederlandse vissers zeggen echter uit betrouwbare bron te hebben vernomen dat er slechts sprake is van een papieren Schotse saneringsregeling. De Britse visserijbladen maken ook geregeld melding van vele nieuwbouwschepen en een florerende handel in vissersboten. Bovendien stellen de vissers voorzichtig vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de Britse aanlandingsgegevens. Aanvoer van 'grijze' vis wordt zelfs in de Britse pers een groot probleem genoemd.

De Nederlandse visserijsector is door de jongste adviezen opnieuw 'een illusie armer'. Door meer studie te maken van de biologische adviezen en veel te investeren in biologisch onderzoek hadden de bedrijven gehoopt meer inzicht te krijgen in de methoden die de visserijbiologen hanteren bij het schatten van de visbestanden. De recente adviezen bevestigen bij de visserijsector echter het vermoeden dat naar hen niet wordt geluisterd.

Langstraat zegt de kritiek van het Nederlandse bedrijfsleven te zullen bespreken met zijn collega's in de lidstaten. Langstraat is voorzitter van het Raadgevend Comité, het adviesorgaan van de Europese Commissie dat adviezen uitbrengt over verscheidene onderwerpen die de vissector in de Unie aangaan. Komende week zal een speciale werkgroep van dit comité vergaderen over de adviezen van het ACFM en de quota-adviezen voor 1998. Hij zal in deze werkgroep opnieuw vragen om een uitgebreid advies van het sociaal-economische adviescomité voor de visserij (STCF), een comité van biologen en economen die in staat zijn de ACFM-adviezen inhoudelijk te beoordelen.