Spijbelen

In 1931 schreef A. van Vlaardingen een tuttig boek over haar ervaringen met Amsterdamse volkskinderen onder de titel Mijn Jordanertjes. Kinderen die ik gekend heb. Het is een braaf, kwezelachtig, slecht geschreven boek, dat desondanks in 1939 een tweede, herziene druk beleefde, met als nieuwe ondertitel M'n toffe jongens en m'n meiskes. De onderwijzeres, lid van het Leger des Heils, beschrijft haar goede werk onder de smoezelige, arme Jordanezen, die wel een grote mond hebben, maar o, o, o, wat een gouden hartjes.

De enige zin waar ik even van opveerde, luidt: “Toen ik 's middags naar huis ging, was ik van plan, even bij Joop aan te gaan, om te weten te komen, waar hij gezeten had, of wat de oorzaak van dezen 'spijbel'-dag ('spijbelen' noemt men in de Amsterdamsche volkstaal het ongeoorloofd van de school verzuimen) geweest was.”

Was spijbelen, zo vroeg ik mij af, inderdaad ooit een typisch Amsterdams volkswoord? Of was de tuttige schooljuf slecht geïnformeerd?

Zeker is dat spijbelen de laatste weken opvallend vaak het nieuws heeft gehaald. Onlangs werd duidelijk dat het Amsterdamse anti-spijbelproject 'Bij de les blijven' op een fiasco is uitgelopen. In alle soorten onderwijs neemt het problematisch spijbelen toe en in het speciaal onderwijs is het aantal spijbelaars in een jaar tijd zelfs bijna verdubbeld tot 9,5 procent. Dagelijks verschijnen in Amsterdam ruim 2800 leerlingen in de leeftijd van tien tot zestien niet op school. De meesten van hen spijbelen.

Met het woord spijbelen is iets bijzonders aan de hand. Van de vele tientallen woorden en uitdrukkingen die er vroeger voor 'schoolverzuim' bestonden, is in de algemene taal alleen spijbelen overgebleven. Waarschijnlijk bestaan er in dialecten nog wel andere woorden voor (zo ja, dan hoor ik dat heel graag), maar in de algemene taal heeft spijbelen het van zijn vele concurrenten gewonnen.

Die concurrenten waren er in verbluffend grote aantallen. Dat weten we in de eerste plaats dankzij Arie de Jager. De Jager (1806-1877) was onderwijzer in Rotterdam en eindredacteur van de belangrijkste taalkundige tijdschriften uit het midden van de 19de eeuw. Hij was zeer ijverig en geleerd, maar ook een betweterig Pietje Precies die bijvoorbeeld enorme lijsten aanlegde van foutjes en omissies in het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Bijzonder voor zijn tijd was dat hij grote belangstelling had voor de “taal des gemeenen levens”, iets waar anderen toen nog op neerkeken.

In 1848 schreef De Jager in zijn eigen tijdschrift Archief voor Nederlandsche Taalkunde een prachtig artikel van achttien bladzijden getiteld “Over de verschillende benamingen van het heimelijk schoolverzuim der leerlingen”. In enkele onderwijsbladen had hij zijn collega's om medewerking gevraagd en hij had onverwacht veel reacties gekregen. Na de eerste publicatie volgden nog enkele aanvullingen, waardoor het totaal aantal woorden en uitdrukkingen voor 'schoolverzuim' op maar liefst ruim zestig uitkwam. Laat dus nooit meer iemand beweren dat onze betovergrootouders zo goed luisterden en altijd braaf naar school gingen!

De verleiding is groot hier al die woorden en uitdrukkingen op te sommen, maar dat is niet voor iedereen uit te houden. De Jager loste dit op door de begrippen in te delen naar naamgevingsmotief. Veel woorden, zo ontdekte hij, hadden bijvoorbeeld te maken met het zich verschuilen achter een haag, heg, tuin of bosje. Zo sprak men in Zeeland van achter de haag lopen of heggetje doen, in Zwolle en Kampen van om de bosjes lopen en op Texel van achter het tuintje lopen of kortweg tuintje lopen.

Ook het wegsluipen of het zich uit de voeten maken leverde uitdrukkingen voor 'schoolverzuim' op. Zo werd dit in Overijssel sluipertjes maken genoemd, in Groningen zei men een plattertje maken en in de Zaanstreek een onderweegje doen. De tijdpassering van de nalatige leerlingen kwam in Dordrecht tot uiting in de zegswijze kraampjes lopen, naar het geslenter van de schooljeugd langs marktkraampjes. In totaal onderscheidde De Jager zeven verschillende benoemingsmotieven, met mooie woorden en uitdrukkingen als binkje steken, pensje leggen, riddertjes leggen, scharlokeren, schobbetjes maken, vinkemannetje spelen, vlinder knippen en voor plat lopen.

Over spijbelen schrijft hij: “Ofschoon het werkwoord spijbelen in geen onzer Woordenboeken voorkomt, is het echter in de schoolwereld vrij bekend, naardien het in een oud en veel gebruikt leerboek wordt aangetroffen. Het gebruik er van schijnt zich voornamelijk tot de provincie Zuid-Holland te bepalen. Te Schiedam, te 's Gravenhage en te Schoonhoven, bij voorbeeld, is de benaming niet onbekend; doch even weinig is dit ook het geval te Amersfoort, waar men spibelen zegt. Soms luidt de uitdrukking een spijbeltje leggen.”

Niet bekend

Resteren twee vragen: welk “oud en veel gebruikt leerboek” had De Jager op het oog (antwoord nog niet gevonden) en waar komt het woord spijbelen vandaan? De Jager dacht dat de herkomst in Amersfoort moest worden gezocht, waar spibelen werd gebruikt voor “heen en weer drentelen van kinderen”. Maar onze moderne etymologische woordenboeken zeggen dat ze het niet weten. In de betekenis “op eigen gezag uit school wegblijven” is het woord in 1762 voor het eerst gevonden, in een spectatoriaal tijdschrift. In 1709 is spiebelen aangetroffen voor “ervandoor gaan”; spybeler, een woord dat ongetwijfeld verwant is, komt al in 1477 voor in de betekenis “bedelaar, landloper”.

Zeker is dat wij al heel lang spijbelen. Daar helpt geen lieve moedertje en kennelijk ook geen overheidsproject aan.