Nederland moet Suriname loslaten

Hoe kan de verstoorde relatie tussen Nederland en Suriname worden verholpen? Aan de vooravond van 22 jaar onafhankelijkheid pleit Peter Meel voor een ombuiging van het Nederlandse Suriname- beleid en voor een nationaal zelfonderzoek in Suriname.

Ook mensen die de betrekkingen tussen Nederland en Suriname maar zijdelings volgen, weten dat de contacten tussen beide landen moeizaam verlopen. Niet zelden geven ze aanleiding tot betreurenswaardige incidenten. Koloniale ressentimenten, halfhartige idealen en nauwverholen vooroordelen zetten hun stempel op de onderlinge relaties. Ze demonstreren dat het Suriname-debat in belangrijke mate door emoties wordt beheerst. In Den Haag en Paramaribo bestaat nog altijd weinig animo de betrekkingen tot de kern van de zaak terug te brengen en in een deugdelijk perspectief te plaatsen.

Waarom is het tot dusver niet gelukt de Nederlands-Surinaamse betrekkingen te verzakelijken? Het antwoord op deze vraag is eenvoudig: een zakelijke verhouding veronderstelt gedeelde belangen. In ieder geval belangen waarin de deelnemende partijen zich herkennen en waardoor zij zich aangesproken voelen. Juist daar ligt een probleem. Er bestaat in Suriname tot op zekere hoogte behoefte aan Nederlandse assistentie bij de opbouw van het land, maar omgekeerd is het Nederlands belang bij Suriname verwaarloosbaar klein.

De VS en Frankrijk gaan er vanuit dat Nederland oog houdt op de externe veiligheid van Suriname en garanties schept voor economische stabiliteit, rechtszekerheid en democratie. Deze veronderstelling gaat echter voorbij aan de beladen geschiedenis die Nederland en Suriname gemeenschappelijk hebben. Suriname kan zo'n Nederlandse opstelling dan ook moeilijk anders interpreteren dan als een ontoelaatbare vorm van bevoogding.

Desondanks heeft Nederland zijn toezichthoudende rol steeds met overgave gespeeld. Deels kan dit worden verklaard uit loyaliteit jegens de VS, deels uit eigen ambities op het terrein van de internationale politiek. Onlangs nog verzekerde minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo dat Suriname “het enige stukje buitenlandse politiek” is waarover Nederland beschikt en dat Nederland alleen in Suriname “een eigen krachtenveld” heeft. Een omvangrijke Nederlandse ambassade in Paramaribo is de tastbare uitdrukking van de ambitie dit krachtenveld optimaal te benutten. Door Suriname in de pas van de Westerse grote mogendheden te laten lopen, hoopt Nederland zich als kleine mogendheid beter te kunnen profileren.

Hoewel deze benadering als een realpolitische opstelling wordt gepresenteerd, getuigt ze van een curieus beleid. Het proces van dekolonisatie blijft in deze optiek beperkt tot het constitueren van een voormalige kolonie tot een soevereine staat, zonder deze staat vervolgens met de gebruikelijke égards te behandelen. Sterker nog, Nederland heeft de relaties met de nieuwe staat sinds 1975 zoveel mogelijk op de oude voet voortgezet.

Niet zozeer het paradoxale van deze handelwijze frappeert, maar vooral het lukraak negeren van de psychologische en sociaal-culturele dimensies van dekolonisatie. Nog opmerkelijker is het dat de vraag naar het effect van de Nederlandse medeverantwoordelijkhe1d voor Suriname zelden wordt gesteld. Als Nederland de relatie met Suriname zo graag wil gebruiken om zich internationaal te onderscheiden, dan is succes een sine qua non. Maar op dit punt stellen de resultaten teleur.

Hiermee stuiten we op een heet hangijzer. Niets lijkt Den Haag zoveel zelfoverwinning te kosten als de erkenning dat met betrekking tot Suriname beleidsinspanningen tevergeefs zijn geweest. Investeringen zijn niet rendabel gebleken. Of het nu gaat om de ontwikkelingssamenwerking, de rechtshulp of de versterking van de democratie in Suriname: de Nederlandse betrokkenheid op deze terreinen heeft hooguit incidenteel effect gehad.

Deze conclusie blijkt moeilijk te aanvaarden voor een land dat al eerder zijn Indonesië- en Nieuw Guinea-politiek door de rauwe werkelijkheid zag ingehaald. De model-dekolonisatie die het kabinet-Den Uyl voor Suriname in gedachten had en die het Nederlandse falen in de Oost duurzaam had moeten compenseren, is het sluitstuk gebleken van een structureel Nederlands onvermogen koloniale relaties naar tevredenheid af te wikkelen. Dit is een constatering die pijn doet en die politici dan ook bij voorkeur verdringen. Het is echter een moeilijk te weerleggen feit, waarvan verwacht zou mogen worden dat Den Haag het langzamerhand onder ogen zou zien.

Het resultaat van twee decennia Nederlands-Surinaamse betrekkingen rechtvaardigt op geen enkele wijze dat Nederland zijn politiek van medeverantwoordelijkheid voortzet. Gaat Nederland door met hinderlijk over de schouder van Suriname mee te kijken, dan zullen verwijten van bevoogding vanuit Paramaribo blijven klinken. Zelfs als daar geen directe aanleiding voor is, zullen Nederlandse plannen in Suriname met een mengeling van achterdocht en wrevel worden ontvangen. En als ze al worden uitgevoerd zullen ze niet het door Nederland gewenste effect sorteren.

In plaats van halsstarrig op deze weg voort te gaan, zou Den Haag serieus moeten overwegen zijn toezichthoudende rol op te geven. Daarmee wordt ruimte geschapen voor een opnieuw doordenken van de onderlinge betrekkingen en voor scenario's die recht doen aan de toenemende integratie van Suriname in de regio en de uitbreiding van de Surinaamse horizon naar landen in Afrika en Azië.

Bilaterale relaties met Nederland zullen blijven bestaan, al was het maar vanwege de omvangrijke Surinaamse gemeenschap in Nederland. Maar vooral met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerking zou bevorderd moeten worden dat het aandeel van Nederland wordt afgebouwd en dat andere landen en organisaties een prominentere bijdrage aan de opbouw van Suriname leveren. Als men hierbij bedenkt dat de verdragsmiddelen die sinds 1975 naar Suriname vloeien, rond de eeuwwisseling zullen zijn uitgeput, dan heeft het uitstippelen van een nieuwe Suriname-politiek door Nederland een hoge mate van urgentie.

Het dragen van verantwoordelijkheid voor de politiek-bestuurlijke en sociaal-economische orde betekent voor Suriname een enorme opgave. Gerekend vanaf het moment dat de eerste verkiezingen voor de Staten van Suriname volgens het algemeen kiesrecht plaatsvonden, heeft het land vijftig jaar ervaring opgedaan met een parlementair-democratisch stelsel. Vastgesteld moet worden dat de bevindingen met dit stelstel gemengd waren. Na een moeizame start was er een relatief stabiele periode tot begin jaren zeventig, toen het systeem in toenemende mate door etnische tegenstellingen werd ondermijnd. Maar in de jaren tachtig is radicaal met het stelsel gebroken en het herstel van democratie en de rechtstaat na 1987 heeft een onevenwichtig verloop gekend. Naast de traditionele etnische partijen werden gewapende machten en nieuwe rijken een politieke factor van betekenis. De balans van ruim twintig jaar onafhankelijkheid, waarin overwinnaars en verliezers te vaak daders on slachtoffers bleken, is echter nog altijd niet opgemaakt.

Hoe kan de jongste geschiedenis van Suriname als een positieve factor in het zich voortschrijdende proces van dekolonisatie worden ingezet? Het is een publiek geheim dat de zittende Surinaamse regering nationale aspiraties koestert die zij graag wenst te verzilveren. De regering zoekt naar wegen om de eenzijdige oriëntatie op Nederland te doorbreken en heeft recent een commissie onder leiding van mr. Bruma de betrekkingen met Nederland laten evalueren.

Dit is een lofwaardig begin, maar het zou hierbij niet mogen blijven. Het is van het grootste belang dat de politiek-maatschappelijke ontwikkelingen van 1980 tot heden aan een diepgaand onderzoek worden onderworpen. Dit zal met de grootst mogelijke omzichtigheid moeten gebeuren: geduldig voorbereid, humaan en wijs, maar ook met respect voor het vigerend recht en vanuit een oprecht streven de onderste steen boven te krijgen.

Een dergelijke delicate taak kan alleen worden opdragen aan personen, wier integriteit boven alle twijfel verheven is en die een substantieel draagvlak hebben in de Surinaamse samenleving. De modaliteiten van een dergelijk onderzoek zijn een zaak van de Surinaamse regering. Haar staan echter niet veel mogelijkheden ter beschikking. Het delegeren van het onderzoek aan een parlementaire enquêtecommissie zou het werk te veel in partij-politieke banen leiden, terwijl de inschakeling van het openbaar ministerie het strafrechtelijk vervolgen van zoveel personen tot gevolg zou hebben dat de samenleving ernstig zou worden ontwricht.

De Surinaamse regering zou er daarom goed aan doen het initiatief aan zichzelf te houden en om te zien naar een alternatief. Dit zou, zoals in Zuid-Afrika, kunnen bestaan uit het instellen van een waarheids- en verzoeningscommissie. De opdracht van een dergelijke commissie zou moeten zijn: het onderzoeken van de aard, de oorzaken en de omvang van gerapporteerde mensenrechtenschendingen in Suriname, het verlenen van amnestie voor politiek geïnspireerde misdrijven op voorwaarde dat betrokkenen de volledige waarheid omtrent hun daden onthullen, en het doen van voorstellen om slachtoffers en hun nabestaanden schadeloos te stellen en te rehabiliteren.

Centraal zou moeten staan dat amnestie nooit een doel mag zijn, maar uitsluitend een middel om de waarheid boven tafel te krijgen. Alleen op die basis zal het mogelijk zijn een proces van nationale verzoening op gang te brengen. De hoorzittingen van de commissie zullen veel losmaken, maar de commotie zal beheersbaar blijven als het werk met voorlichtingscampagnes wordt begeleid en de media zich constructief opstellen.

Voorop moet staan dat gebroken wordt met een politiek van toedekken en vergeten. Er moet een klimaat worden gecreëerd dat burgers motiveert zich in te zetten voor hun land. Met zo'n beleid zal de Surinaamse regering niet alleen eer inleggen in eigen land, maar ook respect en bewondering elders in de wereld afdwingen. Dit zal van onschatbare waarde blijken voor het diversifiëren van de buitenlandse betrekkingen van de republiek.

Ook voor de Surinaamse gemeenschap in Nederland zal het als catharsis kunnen werken. Het besluit om op te gaan in de Nederlandse samenleving of om ter plaatse mee te werken aan de toekomst van Suriname zal met meer beleid kunnen worden genomen en de ambivalente gevoelens terugdringen waarmee veel Surinamers in Nederland worstelen.

Het opgeven van de politiek van medeverantwoordelijkheid door Nederland en het uitvoeren van een grootschalig zelfonderzoek in Suriname zullen zonder twijfel bijdragen tot een opklaring van de onderlinge betrekkingen en een zinvolle verwerking van het recente verleden door de Surinaamse bevolking. Het Nederlandse kabinet zou aan het einde van zijn zittingstermijn toch nog laten zien zelfkritisch tot een herijking van zijn politiek in staat te zijn. En de Surinaamse regering zou met nog vier jaar in het vooruitzicht moed en initiatief tonen en zijn bevolking een fundamentele dienst bewijzen.

    • Peter Meel