Meer gemonkel dan onbehagen

De Gids, nr. 11/12 november-december 1997. Uitg. Meulenhoff. Prijs ƒ 34,90.

Dertig jaar geleden publiceerde De Gids een dik nummer over onbehagen waaraan Joke Kool-Smit haar beroemd geworden essay 'Het onbehagen bij de vrouw' bijdroeg. Dat artikel wordt nog steeds beschouwd als het Nederlandse startsein van de 'tweede feministische golf'.

Het november/decembernummer van De Gids is opnieuw aan 'Onbehagen' gewijd, maar ik geloof niet dat er een essay bijzit dat eenzelfde klassiek karakter zal krijgen als het artikel van Joke Smit. Opvallend is dat de meeste auteurs niet echt last hebben van onbehagen. Sommigen zijn gewoon woedend. Hubert Smeets bijvoorbeeld, die persoonlijk heeft ondervonden hoe de ambtenarij iemands leven kan ontwrichten. Zijn echtgenote, een medisch specialiste uit Rusland, liep zich te pletter op de medische bureacratie in Nederland. Anderen zijn noch woedend, noch vervuld van onbehagen, maar hebben kritiek op aspecten van het bestaan. Weer anderen monkelen over ditjes en datjes. Maar onbehagen in de zin die Freud aan dat woord gaf in Das Unbehagen der Kultur - nee.

H.J.A. Hofland komt met zijn bijdrage die simpelweg 'Onbehagen' heet, nog het dichtst in de buurt van een definitie van het begrip. 'Beschaving gaat gepaard met onbehagen: het is de prijs die we voor de zekerheid van regelmaat en comfort moeten betalen', luidt zijn eerste, mooie zin, waarin hij meteen zijn thema neerzet. Maar misschien boeit zijn essay mij wel omdat hij een onderwerp dat dezer dagen aan de orde is (de verwerking van het communisme) uittilt boven het politiserende niveau van VVD-leider Bolkestein. 'Tot dusver', aldus Hofland, 'heeft de wetenschap van het geweten een uitgestrekt gebied nog vrijwel ongeëxploiteerd gelaten: de geboorte en het verval van het communistisch geweten. Toen de Sovjet-Unie nog in opkomst was, heeft Menno ter Braak met zijn Van oude en nieuwe Christenen een veelbelovende aanzet gegeven door, impliciet, het communistisch geweten te behandelen als een mutatie van het christelijk geweten.' Hofland betreurt het dat er, behalve het autobiografische zelfonderzoek van ex-communisten, nog geen 'grote greep op het verschijnsel' is. 'We zouden er misschien veel van kunnen leren over de kracht van het geweten en hoe dat regelrecht verbonden kan zijn met de intensiteit van het onbehagen.'

Het meest nieuwsgierig was ik naar de vrouwelijke essayisten. Zou er een nieuwe Joke Smit bij zitten, die een nieuwe feministische golf inluidt? Helaas: de bijdragen van Irene Costera Meijer ('Het persoonlijke is politiek!') en Christien Brinkgreve ('Het persoonlijke is zakelijk geworden') bevatten noch serieus onbehagen, noch nieuwe ideeën. Costera, die zinnen schrijft als: 'Haar “wij” is een ongeseksueerd, intellectueel “wij”,' concludeert dat 'het persoonlijke weer helemaal persoonlijk dreigt te worden'. 'Te veel vrouwen verwijten het (weer) uitsluitend zichzelf als er iets mis gaat met kinderen of carrière en vragen zich af of ze wel flink genoeg waren, de juiste keuze hebben gemaakt, de tijd er wel rijp voor was, of dat het gewoonweg zo is. (Mijn onbehagen begint zich nu op De Gids te richten. Zit daar geen eindredactie die onbegrijpelijke passages corrigeert?)

Wel goed geschreven is het openingsessay van Frits Abrahams, maar als ik hem goed begrijp, mag ik dat helemaal niet zeggen, omdat hij een collega van mij is. Zijn onbehagen richt zich namelijk tegen journalisten en recensenten die menen 'dat hun goede onderlinge relatie geen beletsel is om over elkaars werk te kunnen schrijven'. Op dit punt ben ik het met Abrahams eens, dus laat ik ophouden over hem. Alhoewel: ik heb wel kritiek op zijn stuk, dat hij - schromelijk overdreven - 'Het falen van de journalistiek' heeft genoemd. Weliswaar heeft hij gelijk dat de Nederlandse pers zich onvoldoende kwijt van de taak waartoe zij is geroepen (het controleren van de macht), maar zo erg als hij het voorstelt, is het niet. 'Ik heb bij slechte en goede kranten gewerkt', schrijft hij, 'en overal viel mij op dat journalistiek voor de meeste beoefenaren een baan van negen tot vijf is. Het is voor hen een beroep als alle andere, en geen roeping (-).' Waarschijnlijk heb ik alleen maar bij goede kranten gewerkt, want de meeste journalisten die ik ken, werken zich kapot en zijn uiterst gedreven.

Andere onbehagens die u niet mag missen, zijn die van John Jansen van Galen en Hubert Smeets (journalisten die hun vak niet bepaald opvatten als een negen-tot-vijf-beroep) over 'De mallemolen van de gezondheidszorg', respectievelijk 'Een minister zonder kleren', waarin Els Borst, wat mij betreft, definitief haar onschuld verliest.