KGB bewaarde alle dagboeken van schrijvers

Onder de titel Manuscripten branden niet werden in de Balie in Amsterdam afgelopen weekend vier documentaires vertoond over literaire censuur. 'In het huidige Rusland wil men het zwarte verleden het liefst vergeten. Dat is op zichzelf al een vorm van censuur.'

AMSTERDAM, 24 NOV. De Russische schrijver Michail Boelgakov kreeg in 1930 een telefoontje van Stalin. De leider vroeg de schrijver waarom hij zo gekant was tegen het socialisme. Als antwoord legde Boelgakov Stalin uit hoe censuur werkt: “Meneer Stalin, ik ben een schrijver. Ik schrijf het ene toneelstuk na het andere, maar het heeft geen zin. Geen van mijn stukken mag worden uitgevoerd, dus ben ik arm en dakloos. Zo kan ik toch niet leven?”

Tien jaar later was Boelgakov dood, zonder dat er nog een letter van hem was uitgegeven.

Oude en nieuwe vormen van literaire censuur, de al dan niet gedwongen ballingschap van schrijvers en de meest effectieve manier van censureren - moord - waren de thema's van een tweedaags 'mini documentaire festival' in de Balie in Amsterdam. Afgelopen weekend werden daar vier films vertoond over de onmogelijkheid van het schrijven in een totalitair systeem.

Het bovenstaande, waargebeurde voorval is afkomstig uit Manuscripten branden niet, waarmee het gelijknamige 'themaweekend' zaterdag opende. Zondag volgden vertoningen van Bitter is de verbanning, over de zelfgekozen ballingschap van Klaus Mann, De woestijn en de zee, over gevluchte Algerijnse schrijvers in Parijs en Nationaliteit: geen, waarin vier schrijvers uit het voormalig Joegoslavië ten strijde trekken tegen het nationalisme.

Dat manuscripten in de Sovjet-Unie niet verbrand werden, bleek toen de Russische schrijver Vitali Sjentalinski in 1989 de literaire archieven van de KGB mocht inzien. Gestolen manuscripten, dagboeken maar ook de gedwongen bekentenissen en doodvonnissen van tweeduizend schrijvers waren zorgvuldig bewaard. Sjentalinski's in 1993 verschenen boek The KGB's Literary Archives lag ten grondslag aan Manuscripten branden niet. De documentaire van Reza Allamehzadeh heeft veel weg van een gefilmde lezing. Sjentalinski voert de kijker in strak tempo langs de gesmoorde literaire carrières van Boelgakov, Platonov, Mandelstam en Babel.

Na afloop van de vertoning lichtte de schrijver zelf het belang van de film toe: “In het huidige Rusland wil men het zwarte verleden het liefst vergeten. Dat is op zichzelf al een vorm van censuur. Er worden aanhalingstekens geplaatst om de slachtoffers van het stalinisme”.

Dat is mild vergeleken bij de huidige censuur in Algerije waar schrijven en vermoord worden bij elkaar lijken te horen. In De woestijn en de zee (regie: Karim Traïdia) komen drie schrijvers aan het woord die vluchtten voor het fundamentalistische FIS, na verschillende keren een moordaanslag te hebben overleefd. De overheidscensuur (het staatsmonopolie op papier en drukkerijen) steekt daarbij af als een lichte irritatie.

Tussen de filmvertoningen door vonden openbare discussies plaats tussen makers en hoofdpersonen van de vier films. Schrijver in ballingschap en ex-burgemeester van Belgrado Bogdan BogdanoviEÉc (geportretteerd in Nationaliteit: geen van Kees Hin) verwoordde de situatie in Servië als een omgekeerd stalinisme: “Stalin sloot de schrijvers op, MiloševiEÉc zet ze het land uit. Zo heeft hij volledige controle over de media. Met het selecteren van bepaalde televisiebeelden bepaalt hij persoonlijk wat wel en wat niet gezegd kan worden. Hij bedrijft een mentale censuur.”

Niet mogen schrijven, spreken, filmen; wie het nooit meemaakte, kan waarschijnlijk niet echt begrijpen wat dat inhoudt. Maar voor de Kroatische schrijfster Dubravka UgresiEÉc, die haar land niet meer in mag, leek het wel mee te vallen. “Iedere balling is een roman in zichzelf. Schrijven in vrijheid is ook niet alles”.

De vier documentaires zijn in de maand december te zien op televisie bij de RVU en de NPS.

De exacte uitzendtijden zijn nog onbekend.

    • Floris Brester