Jozias van Aartsen, minister van afstand

Minister J.J. van Aartsen (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) is aan het einde van deze kabinetsperiode bezig aan zijn zwaarste klus. Hij wil de varkensstapel met een kwart verminderen. De sector verzet zich hevig, maar de minister douwt door. Hij is geen polderjongen die eindeloos wil overleggen.

De buitenlandse dienst is gewaarschuwd: de VVD heeft grote plannen met Jozias van Aartsen. In de top van de partij zien ze hem als een troef voor Buitenlandse Zaken. Zijn daadkracht en onafhankelijkheid bevallen Bolkestein zeer en in de partij ligt hij uitstekend. “Jozias is een hele goeie”, zeggen ze in VVD-kring.

De secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken was drie jaar geleden niet de vanzelfsprekende kandidaat voor Landbouw. Inmiddels heet zijn benoeming “een vondst” en wordt zijn beleid “kordaat” genoemd. Zo wil de ironie dat een voormalige topambtenaar het primaat van de politiek herstelt in een sector met uitgesproken corporatistische trekken. Van Aartsen moest op Landbouw een aantal lastige klussen klaren, zoals de gekke-koeienziekte, het mestbeleid en de bestrijding van de varkenspest. De laatste weken werkt Van Aartsen aan zijn zwaarste klus: de inkrimping van de varkensstapel met een kwart. Er zullen 3,6 miljoen varkens en 13.000 boerenbedrijven moeten verdwijnen.

De sector mort en zucht. De Tweede-Kamerfracties van de PvdA en zijn eigen VVD zijn het eens met de doeleinden van de maatregel - een betere gezondheid en meer welzijn voor de dieren en minder mest in het milieu - maar ze zien niets in een algehele korting op het aantal varkens zoals de minister heeft voorgesteld. Maar hij douwt door. Het karwei is ook zoveel als zijn overgangsexamen. Een minister is pas geslaagd als hij aan het einde van zijn periode goed wordt gevonden, weet zijn leermeester, oud-minister en voormalig VVD-leider H. Wiegel.

Zijn politieke leerschool was ideaal. Al vroeg zat hij met zijn neus in de grote politiek, eerst als zoon van de vroegere antirevolutionaire minister J. van Aartsen en later als gesjeesde student bij de VVD-fractie. De jonge Van Aartsen werd daar al snel medewerker van de nieuwe VVD-leider Wiegel. Hij schreef grote speeches voor zijn baas en samen ontwierpen ze in de jaren zeventig twee verkiezingsprogramma's. Wiegel: “Hij was een fantastische sparringpartner, omdat hij een weerwoord had. Hij heeft kennis van zaken, een scherp analytisch vermogen en kent snel de zwakke plekken in een redenering.”

Thuis zag hij ook de schaduwzijden van de politiek. Zijn vader werd in 1960 in de Kamer als minister van Volkshuisvesting onderuitgehaald door de eigen ARP, in wat later de jenever-crisis is gaan heten. Henriëtte van Aartsen-Warsen, de echtgenote van Van Aartsen jr.: “Het was een flut-aanleiding. Mijn schoonvader hield het er altijd op dat de hele AR-fractie dronken was. De affaire van zijn vader is emotioneel voor dat gezin geweest. Het heeft mijn man naar de politiek getrokken en zijn moeder er vanaf.”

Nog onlangs bleek in de Eerste Kamer hoe gevoelig de minister is voor toespelingen op het verleden van zijn vader. Bij de verdediging van een wetsvoorstel voor verzelfstandiging van Staatsbosbeheer hintte senator J.J.A.M. van Gennip (CDA) op het tegenstemmen van de VVD in de Tweede Kamer. Met een blik op het verleden zei hij, dat in andere tijden andere ministers in zo'n situatie waren opgestapt. De minister was not amused over dit pesterijtje. Henriëtte van Aartsen: “Mijn man zegt wel, dat als hij in aanvaring met de Kamer zou komen, dat met zijn eigen VVD zou zijn.”

Politiek drukte heel vroeg een stempel op hem, maar zelf meed hij de actieve politiek. Bij de VVD (eerst bij de fractie, later bij de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau) was hij vooral adviseur. Later op Binnenlandse Zaken (eerst als rechterhand van de secretaris-generaal, later als hoogste ambtenaar) bleef hij de neutrale civil servant die even makkelijk voor Koos Rietkerk als voor Ien Dales kon werken. Ze wisten allemaal dat hij een VVD'er was, maar hij gedroeg zich niet als partijman. Oud-minister E. van Thijn: “Hij was een hele goeie beleidsambtenaar, loyaal en gedecideerd. Hij kon heel goed in de huid van de minister kruipen.”

Afstandelijkheid is deel van zijn stijl. Sommigen ervaren hem als kil en arrogant, anderen als praktisch gereserveerd. G. Doornbos, voorzitter van LTO-Nederland, de overkoepelende organisatie van de land- en tuinbouw: “Hij presenteert zaken op een manier alsof hij de enige is die verstand van zaken heeft.” Zijn politieke peetvader Wiegel: “Hij houdt in zijn omgang met mensen in eerste instantie afstand, maar als hij mensen vertrouwt kan hij heel direct zijn.”

Bij Binnenlandse Zaken omringde Van Aartsen zich met een groepje vertrouwelingen; ambtenaren die hij op specifieke posten zette of speciale klussen liet doen. Lagere ambtenaren spraken in die tijd over “de bende van de SG.”

Een vertrouweling die hij meenam is H.J.M. van Zon, tot voor kort één van de twee directeuren-generaal bij Landbouw. Het gezag van de ambtelijke top op het departement is gering. In de landbouwsector zeggen ze spottend: “De een kent zijn zaken, maar komt niet tot besluiten. De ander neemt wel besluiten, maar kent zijn dossiers niet.”

Op Binnenlandse Zaken maakte Van Aartsen furore met de vernieuwing van de ambtelijke organisatie. Het moederdepartement werd onder zijn leiding afgestoft en gold niet langer als een van de zwakkere ministeries. Bij Landbouw lukt die cultuurslag maar moeizaam. De voormalig topambtenaar zag in zijn rol van minister geen kans secretaris-generaal T.H.J. Joustra in te ruilen voor een ander. Hun relatie is correct, maar niet ideaal. “Ze vormen geen tandem. Er is geen sprake van blind vertrouwen en dat is in zo'n relatie wel nodig”, zegt een partijgenoot van de minister.

Besturen doet Van Aartsen dan ook vaak op zijn eentje. Adviezen wint hij elders in, besluiten neemt hij buiten de organisatie om. Voor de landbouwsector, die vroeger in nauwe symbiose met het departement leefde, is dat wennen. LTO-voorman Doornbos: “Sommige dossiers neemt hij helemaal in eigen hand zonder zijn ambtenaren er verder bij te betrekken. Je denkt wel eens waarom heb je dan zo'n heel departement.”

Eén 'adviseur' gaat bij Van Aartsen boven alle andere: zijn echtgenote. Op Binnenlandse Zaken waren haar dagelijkse telefoontjes al “legendarisch” en bij Landbouw spreken ze gekscherend over haar als “Hillary van Aartsen”.

De ministersvrouw schrijft op persoonlijke titel wel eens brieven naar vrouwen van boeren en zegt zonodig ook tegenover betrokkenen in de sector waar het op staat. “Als Doornbos kritiek uit die op de man is gespeeld, dan pak ik de telefoon en bel Gerard op en zeg ik: 'wat houd je nou voor een kletsverhaal'.”

Zelf relativeert Henriëtte van Aartsen haar rol: “Ik heb nul invloed op het beleid van mijn man. Ik heb helemaal geen verstand van Landbouw. Wat weet ik nou van ammoniak? Hij zou wel gek zijn als hij advies aan mij zou vragen. Maar het is natuurlijk wel zo dat je elkaars wereldbeeld beïnvloedt. Mijn man vindt het plezierig om zaken te bespreken en vindt het leuk dat ik daar belangstelling voor heb.” Volgens mevrouw Van Aartsen is haar man niet iemand die dol is op eindeloos overleg: “Mijn man is niet zo'n polderjongen, hij heeft het niet zo op met het poldermodel. Hij houdt ervan om een direct standpunt in te nemen.”

Soms komt de politiek ook voor “thuis” heel dichtbij als de minister bij blokkades zichtbaar in het nauw komt of als hij, zoals vorige week, letterlijk klappen oploopt van een woedende varkensboer. Ze hebben het er dan aan tafel over. Henriëtte van Aartsen: “Die man heeft echt geprobeerd mijn man het ziekenhuis in te slaan. Mijn man is geen binnenvetter, hij laat direct weten hoe hij daarover denkt. Het past niet bij de waarde van het ambt dat zo'n varkensboer begint te meppen, vindt hij. De kinderen vragen wel eens: 'wanneer mogen we nu de ruiten van LTO-Nederland eens ingooien'. 'Nu nog niet', zegt mijn man dan.”

Zijn voorstellen om de varkensstapel in te krimpen, raken diepe emoties. In de sector ervaren ze de minister als een klinische saneerder. Doornbos: “Hij laat de gevolgen voor de mensen buiten beeld. Hij praat alleen in getallen en geld.” W. van den Brink, de zaterdag afgetreden voorzitter van de vakgroep varkenshouderij van LTO Nederland: “Van Aartsen behandelt varkenshouders als dingen. Hij voelt geen betrokkenheid met boeren. Zijn woorden lijken uit een machine te komen en niet uit zijn hart. Dat vind ik wel een beetje erg.”

In de aanpak van de varkenssector komen verschillende lijnen samen. De outsider Van Aartsen - niet van de boerderij en niet van 'Wageningen' - probeert fors te herstructureren zonder zich door de sector te laten inkapselen. “Ik vind dat hij 'crisis als kans', zoals wij dat hier zeggen, op een decente manier heeft gebruikt”, meent U. Rosenthal, hoogleraar bestuurskunde en voorzitter van het Crisis Onderzoek Team van de Rijksuniversiteit Leiden.

E.P. Woltjer, Tweede-Kamerlid (PvdA) en landbouwspecialist, zegt het zo: “Hij creëert bewust afstandelijkheid. Hij wil niet in een wirwar van contacten vastlopen. Dat doet hij goed. Maar als je steun wilt krijgen voor je voorstellen, moet je ook draagvlak zoeken. Dan moet je niet te ver van de sector af gaan staan.”

De afstand zoals Van Aartsen die tot de sector in acht neemt, is in zekere zin ook emotioneel bepaald. De VVD'er heeft een grondige hekel aan de corporatistische aanpak die de christen-democratische ministers vóór hem hanteerden. “Hij wil die uitwassen tot normale proporties terugbrengen”, zegt een hoge Nederlandse ambtenaar in Brussel. Ook voor de innige wijze waarop het CDA, en de vroegere KVP, met de landbouwsector omging, kan hij weinig waardering opbrengen. In kleine kring sprak hij tegenover katholieke politici al eens over de KVP als “de katholieke varkenspartij”.

Verder probeert Van Aartsen het primaat van de politiek te herstellen. Niet de ambtenaar en zeker niet de sector, maar de minister bestuurt, het liefst op hoofdlijnen. Van Thijn, oud-minister en kenner van de rijksdienst: “Je hebt ministers die zich vooral identificeren met hun departement. Die eten wat de pot schaft. Van Aartsen is iemand die zelf zorgdraagt voor het recept.”

In Den Haag bewaart hij afstand, in Brussel zoekt hij de contacten. Bij zijn Europese collega's heeft hij een goeie naam. Tegelijk heeft hij op belangrijke dossiers (gekke-koeienziekte, varkenspest) belangrijke bedragen voor de Nederlandse Landbouw binnengehaald. Hij kent de verhoudingen en hij kan toe met weinig slaap, een niet onbelangrijk voordeel voor een minister van Lnadbouw die zijn winst bij de Brusselse marathonvergaderingen vaak diep in de nacht moet afdwingen. “Hij houdt van het Europese circuit. Je merkt dat hij daar goed en handig opereert”, stelt voormalig Europarlementariër Woltjer vast.

In de VVD zien ze Van Aartsen als vakminister groeien. In kleine kring is de minister van Landbouw al getipt als een kandidaat voor Buitenlandse Zaken in een volgend kabinet.

Voormalig VVD-leider Wiegel speculeert daar zelfs openlijk over: “Hij zou een hele goeie minister van Buitenlandse Zaken zijn. Hij vindt de buitenlandse contacten interessant, spreekt zijn talen en hij heeft mooie streepjespakken aan”.

    • Koen Greven
    • Kees van der Malen