Het Dictee is vernederend vermaak

De telefoon ging. Een publiciteitsmedewerkster van mijn uitgever vertelde me dat een journalist, betrokken bij de organisatie van het Groot Nationaal Dictee, haar had benaderd met de vraag of bij het uitgevershuis nog auteurs waren, die belangstelling hadden om mee te doen aan het bekende televisieprogramma.

Was ik er zo eentje?

Nee, moest ik haar te kennen geven, uit de grond van mijn hart, nee!

Ik kan me van de lesmethode en mijn ervaringen ermee weinig herinneren, maar op school heb ik een gemiddelde beheersing van de toenmalige Nederlandse spellingsregels verworven. Tijdens mijn studie heb ik er nooit iemand over gehoord. Ik leef nu zo'n tien jaar van de pen. In die jaren verschenen negen boeken en boekjes met mijn naam op het titelblad en daarnaast leverde ik bijdragen aan bundels, tijdschriften, dag-, week- en maandbladen. Altijd waren er eindredacteuren en correctoren, die mijn typoscripten en bijdragen controleerden op taal- en spellingsfouten.

Mijn standpunt over spelling is altijd geweest: trek aan de bel als je vindt dat er iets anders moet staan en probeer mij te overtuigen. Maar bespaar mij de spellingskwesties. Die merk ik wel op als ik het drukwerk lees.

Onlangs schijnt een nieuwe Nederlandse spelling te zijn ingevoerd. Verbazend hoe opgewonden sommigen konden raken. De nieuwe spelling maakte, net als de oude overigens, de indruk een mengelmoes te zijn van rigoureuze taalkundige logica, ingesleten gewoontes en koddige drogredeneringen. Wat er beter aan was dan de oude bleef ondoorgrondelijk. Dat vooruitgang werd geboekt door geen konijnekeutel, maar konijnenkeutel te schrijven (alsof meerdere konijnen samen een enkele keutel kunnen produceren) ontging mij volledig.

Het gehannes met c en k is al meer dan een eeuw de inzet van getouwtrek en ik kan er niet warm of koud van worden. Bij het persklaar maken van mijn laatste roman sprak ik met mijn redacteur af: laat alles maar in de nieuwe spelling zetten, dan haal ik er wel weer uit wat ik belachelijk vind.

De spellingsregels zijn er niet voor niks. Vanuit het belang van uniform onderwijs, het bestrijden van het functioneel analfabetisme en de bureaucratische drang naar orde is er behoefte aan een officiële spelling. Het is een taalkundige norm, waarmee de Nederlanders onderling de dommen, onwetenden, slecht opgeleiden, woordblinden en in hun taal door regionale en allochtone trekken beïnvloede taalgebruikers kunnen opsporen. Aan iemands beheersing van de officiële spelling kun je zien hoe succesvol hij of zij erin is zich aan te passen, of op zijn minst of hij of zij erin geslaagd is de hand te leggen op een tekstverwerker met spellingscontrole. De officiële spelling is een sociaal meetinstrument, even nuttig als stompzinnig.

Nu is onaangepastheid in zichzelf geen deugd en een overdaad aan afwijkende spelling kan het begrip en genot van een tekst storen en belemmeren. Maar een bepaalde marge aan spelfouten of eigenaardigheden geven het geschreven woord nu juist kleur en karakter. Schrijvers worden gewaardeerd om hun betekenisvolle mutaties en eigenaardige gebruik van het Nederlandse taaleigen. Het overtreden van taal- en spellingsregels is een van hun vele uitdrukkingsmogelijkheden. Reve demonstreert het al decennia.

Er bestaat geen juiste of ideale spelling van het Nederlands. Voor de huidige spelling geldt wat voor iedere spelling geldt: zij is de mijne niet. Ik heb haar niet bedacht, zij wordt mij van staatswege opgelegd en heeft voor mijn werk geen enkele verbetering of ondersteuning te bieden. Maar ik wil me best, bijgestaan door deskundige anderen, in mijn publiek gemaakte teksten aanpassen aan de taalkundige modes die door de staat zijn omarmd en per decreet worden uitgevaardigd. Waarom niet? Ik heb er geen belang bij koste wat het kost de zonderling uit te hangen.

Maar evenmin zie ik aanleiding me blindelings aan de spellingsregels te onderwerpen.

Geen haar op mijn hoofd die er daarom aan denkt om mij door een jolige televisieschoolmeester een onzinnige en opzettelijk moeilijk te spellen tekst te laten voorlezen, die ik dan braaf moet opschrijven, wachtend op het rode potlood en de toptien.

Wat een kleingeestig en vernederend vermaak!

Als ritueel dat leedvermaak opwekt kan ik het televisieprogramma Het Groot Nationaal Dictee nog wel waarderen. Maar om aan die eredienst van regelneukerij mee te doen en me in te spannen om me aan regeltjes te houden die vier jaar geleden nog niet golden en over een jaar of twintig weer als fout te boek staan, nee, dat gaat te ver. Het is een daad van onderwerping, het afzweren van een grondrecht.

De taal is van niemand en ik behoud me het recht voor de regels aan mijn laars te lappen als ik goede redenen heb te beweren dat in een specifiek geval de officiële regels mijn bedoelingen storen of smaak beledigen. Neem het geval van de beruchte zielenpiet (een assistent van de Sint die in zielen doet of iets dergelijks).

Niet alleen schrijvers, iedere taalgebruiker heeft dat recht. De uitoefening ervan is nog vruchtbaar ook. Tenslotte moeten de geleerde ambtenaren over een jaar of twintig empirisch materiaal hebben om hun volgende spellingswijziging op te baseren. In de toekomst ontdekken spellingscommissies patronen in onze schijnbare anarchie en die zullen de bouwstenen leveren voor het volgende groene boekje.

Onze spelfouten zijn de motor van de eeuwigdurende spellingswijziging.

    • Dirk van Weelden