'Artsen meer vormen in wetenschap'

DEN HAAG, 24 NOV. In de meeste medische opleidingen is er te weinig aandacht voor de wetenschappelijke vorming. Ook is er sprake van versnippering bij het aanleren van de juiste houding en van een te scherpe scheiding tussen de theoretische en klinische opleiding. Deze klinische opleiding, het co-assistentschap, is nog onvoldoende gestructureerd en kent te weinig begeleiding.

Tot dit oordeel komt de visitatiecommissie die het onderwijs in de geneeskunde en in de gezondheidswetenschappen heeft onderzocht.

Ondanks deze kanttekeningen leveren de opleidingen “artsen af die met vertrouwen tot de medische parktijk kunnen worden toegelaten.” De commissie, die haar werk deed in opdracht van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten, publiceerde vorige week haar conclusies. Zij constateert dat het onderwijs aan alle faculteiten sinds 1992, toen de commissie het onderwijs voor de eerste keer systemnatisch beoordeelde, aanzienlijk is verbeterd.

De commissie vindt dat er bij de aanpassing van de opleidingsprogramma's naar gestreefd moet worden om theorie en praktijk al in een vroeg stadium 'te mengen' en niet te wachten met de klinische vorming tot de vier jaar durende doctoraalopleiding is afgerond. Het co-assistentschap dient nog aanzienlijk verbeterd te worden, zo constateert de commissie. Door de staf van ziekenhuizen wordt deze fase nog te veel als een 'meeloopperiode' en te weinig als 'onderwijs' beschouwd.

Toeval en eigen inzet van de co-assistent bepalen daarbij te veel het eindniveau. Tijdens het co-assistentschap moet ook worden gekeken naar de attitude van de aankomende arts. Hij moet kritisch leren kijken naar zijn eigen handelen. Het schort bij de afstuderende artsen daarnaast vaak aan algemene sociale vaardigheden, zo wordt geconstateerd.

Het meest tevreden is de commissie over de opleidingen die in Maastricht, Groningen en in iets mindere mate in Nijmegen worden gegeven. In Maastricht doen de studenten gemiddeld een jaar korter over hun opleiding dan aan de andere universiteiten zonder dat dit van invloed is op de kwaliteit van de uiteindelijke arts.

Het aantal vrouwen in de wetenschappelijke staf van de medische faculteiten en academische ziekenhuizen moet drastisch worden vergroot. Niet alleen vormen de vrouwen een meerderheid onder de studentn, ook blijkt dat vrouwen het beroep van arts anders uitoefenen dan mannen: voor een evenwichtige opleiding is daarom een groter aantal vrouwelijke docenten nodig.