Public School 1 in New York exposeert na heropening werk van bekende en onbekende kunstenaars; Dwalen door een kolos van een gebouw vol kunst

Na een verbouwing die drie jaar duurde en zeventien miljoen gulden kostte is PS 1, het grote instituut voor hedendaagse kunst in New York, onlangs heropend. Ter gelegenheid daarvan zijn er acht grote tentoonstellingen te zien. Ook op onverwachte plekken in het gebouw kom je kunst tegen.

PS 1 Contemporary Art Center, 22-25 Jackson Avenue bij 46th Avenue, Long Island City, Queens. Inl 00 1718 784 2084.

NEW YORK, 22 NOV. Long Island City klingt ver weg, maar het ligt vlak bij Manhattan, twee metro-stops verwijderd van het New-Yorkse Museum of Modern Art. In een 'lower middle class'-buurt daar bevindt zich het grootste instituut voor hedendaagse kunst ter wereld: Public School 1 Contemporary Art Center (PS 1). Op kosten van de gemeente New York is het net voor zeventien miljoen gulden grondig verbouwd en na een sluiting van drie jaar heeft het zijn poorten weer voor het publiek geopend.

Sinds 1976 is PS 1 gevestigd in een oud middelbare schoolgebouw, een tweevleugelige kolos van mooie donkerrode baksteen in de Romanesque Revival Stijl uit het einde van de 19de eeuw. Directeur Alanna Heiss, een van de eersten die op het idee kwam kunst te exposeren in alternatieve ruimtes, stichtte in 1971 het Institute for Art and Urban Resources. Het doel was een claim te leggen op on- of onderbezette gebouwen, in eigendom van de stad New York, om die te gebruiken als werk- en expositieruimten. Vanaf 1976 concentreerde het Institute zich op twee locaties, PS 1 en de 'Clocktower Gallery', in de nok van een gebouw in Tribeca.

PS 1 functioneert als een Europese Kunsthalle. Het heeft geen eigen collectie, maar organiseert tijdelijke tentoonstellingen van vaak jonge experimentele kunstenaars of bekende kunstenaars met onbekend werk. Het herbergt ook internationale tentoonstellingen die anders niet in New York City te zien zouden zijn, zoals destijds het eerste overzicht van de Duitse neo-expressionisten en de Arte Povera beweging. En het biedt ruimte aan 'site-specific' installaties van onder anderen Bruce Nauman, Richard Serra en James Turrell.

Wat te verwachten van een kunstinstituut dat in New York de status genoot het meest 'funky' te zijn, nu het exposeren in alternatieve ruimtes allang geen nieuws meer is en er steeds meer musea gebouwd worden waar de architectuur concurreert met de kunst?

De nieuwe ingang op Jackson Avenue doet het ergste vrezen. Aan het eind van de nieuwe, lichte buitenplaats bevindt zich nu een brede statige trap met een majestueus bordes dat de allure heeft van een Venetiaans piazza. Maar eenmaal binnen blijkt dat hier beslist geen sprake is van een architectonisch ego-statement. De in Los Angeles werkende Frederick Fisher beperkte zich tot enkele broodnodige structurele veranderingen, waarbij de atmosfeer van een middelbare school uit de jaren veertig of vijftig geheel gehandhaafd bleef - zo niet versterkt is.

De expositietruimte over vijf verdiepingen is uitgebreid tot zo'n veertienduizend vierkante meter, verdeeld in talloze kleinere lokalen en een aantal zalen die door het wegbreken van vloeren en muren geschikt zijn voor grotere exposities. Ter gelegenheid van de opening zijn er acht grotere tentoonstellingen ingericht: vijf eenmanstentoonstellingen (Jack Smith, Jackie Winsor, Lynne Yamamoto, Martin von Hasselberg en John Coplans); Some Young New Yorkers; Vertical Painting, waarbij zo'n vijftien kunstenaars rechtstreeks op de muren van twee van de zes trappenhuizen hebben geschilderd, zoals depilvormige zwarte vlekken van Richard Artschwager; en Heaven, geprojecteerde kunst van ruim honderd kunstenaars, onder wie Inez van Lamsweerde en Andrei Roiter. Verspreid door het hele gebouw zijn bovendien nog ongeveer vijftig projecten en installaties ondergebracht: van Robert Ryman tot Marina Abramovic.

In de lobby krijg je een plattegrond uitgereikt, die niet onderdoet voor die van het Metropolitan Museum, en die voor de niet met richtinggevoel behepte bezoeker net zo nutteloos is. Er zit niets anders op, dan je over te geven aan het angstige, maar spannende avontuur van een scholier die in zijn nieuwe school de weg is kwijtgeraakt.

Het bizarre oeuvre van Jack Smith is een complete opvoeding. Jack Smith (1932-1989) was een underground performance kunstenaar, filmmaker, fotograaf, schrijver en drag queen. Hij is nu bijna geheel vergeten, maar hij had grote invloed op Fellini (diens film Satyricon), Robert Wilson, Laurie Anderson, Andy Warhol (hij acteerde in diens films), Richard Foreman en Cindy Sherman. Hij werd berucht toen de Hoge Raad van de staat New York in 1964 zijn film Flaming Creatures verbood: een 42 minuten durende opeenvolging van flikkerende zwart/wit beelden van extravagante tableaux met Arabische odalisken, Spaanse dansers, vampiers en beatniks.

Soms beland je in dit gebouw in een authentieke New-Yorkse Openbare School ervaring; in een trappenhuis kijkt een trompe-l'oeil-rat uit een holletje (Alexis Rockman). En helemaal prachtig - mede gezien de schimmel-hysterie die hier recent geleid heeft tot de sluiting van een bibliotheek en een lagere school - is de muur vol fluoriserend groene groeisels van Madeleine Hertz.

Het leukst is daar te gaan waar je niet gaan mag, helemaal naar boven, naar wat op de plattegrond beschreven staat als 'by appointment or guided tour only' - waarschijnlijk in verband met juridische risico's. Geen wonder want men moet een griezelig stijle ijzeren ladder op. Alleen al het uitzicht is die moeite waard: rijen bruggen en de wolkenkrabbers van Manhattan.

Verdwaald in het gebouw kom ik verder nog bij een dichte grijze deur in de kelder waarop 'Education' staat. Flarden onverstaanbare kinderstemmen klinken als bij het wisselen van de lesuren. Geen spoor van kinderen, maar ik ben wel in de ruimte belandt waar PS 1 zich werkelijk wijdt aan educatieve programma's. Soms ben je blij dat je niet echt een scholier meer bent, want je kan elders weer oog in oog komen te staan met het hatelijke werk van Jake en Dinos Chapman: een Siamese tweeling van twee naakte meisjeslijfjes - in etalagepoppenmateriaal - met pruiken op en sportschoenen aan, waarvan het torso van het achterste meisje is vergroeid met de billen van de voorste (Doggy). En bij een andere ruimte, een piepklein kantoortje, liggen vlak voor de deur nog twee bebloede poppen.

Verder is het gruwelijke of schandaleuze naakt bijna opvallend afwezig. Als je tenminste Johns Coplans rustige oudemans-piemel niet meetelt. De 77-jarige Coplans begon ongeveer vijftien jaar geleden zwart/wit foto's te maken van zijn eigen, niet al te esthetische naakte lichaam. Dat mag schokkend zijn voor de Verenigde Staten, dat het zonder naaktstranden moet stellen, maar wat vooral opvalt is de abstracte, serene kwaliteit van Coplans werk. Op zijn meer dan levensgrote detailopnamen, vaak versneden tot meerluiken van een of meerdere delen van het lichaam, is iedere haar, vetknobbel, rimpel, plooi, gekartelde teennagel tot in de finesses te zien. Het mooist vind ik een zeer groot drieluik van een hand, waarbij de duim en de top van de vingers uit de lijst verdwijnen.

Bij andere, recente en alternatieve tentoonstellingen, zoals die in het Gramercy Park Hotel, of een leeg kantoorgebouw in Wall Street, werd sterk de indruk gewekt dat avant-garde samenvalt met penissen en vagina's. PS 1 geeft die indruk niet, en dat kan betekenen dat Long Island City zijn voorlopersfunctie kwijt is. Niettemin is een bezoek aan PS 1 op dit moment de meest vitale kunstbelevenis in New York City.

    • Reineke Hollander