Oei oei... ; Ontwikkelingstheorie Plooij weerlegd door eigen promovenda

De ideeën achter de bestseller 'Oei, ik groei' kloppen niet. Aldus luidt de conclusie van een prijswinnend onderzoek uit Groningen. F.X. Plooij, ontdekker van de regelmatige ontwikkelingssprongen bij baby's, reageert woedend.

HET HAD ZO MOOI kunnen zijn. Ontwikkelingspsychobioloog dr. F.X. Plooij had het in 1992 goed voor elkaar. Geïnspireerd door zijn promotieonderzoek naar de ontwikkeling van chimpanseebaby's (in de jungle van Tanzania, bij Jane Goodall) had hij een interessante theorie over de ontwikkeling van kleine kinderen geformuleerd, die hij met empirisch onderzoek bij vijftien mensenkinderen en hun moeders onderbouwde. Samen met zijn vrouw dr. Hetty van de Rijt publiceerde hij een zéér succesvol publieksboek over zijn ontwikkelingstheorie: 'Oei, ik groei! De acht sprongen in de mentale ontwikkeling van je baby'. Naast zijn onderzoeksbaan bij het Paedologisch Instituut Amsterdam werd hij één dag per week in Groningen bijzonder hoogleraar in de 'psychosociale belasting, in het bijzonder vanuit ontogenetisch en ethologisch gezichtspunt'. Zelfs wist Plooij een ijverige promovenda te werven om zijn theorie van verdere empirische onderbouwing te voorzien.

En daar ging het mis. “Ik dacht een voorgebakken onderzoek te gaan doen”, zegt nu promovenda Carolina de Weerth, zelf ook als bioloog afgestudeerd op apenonderzoek. “Plooij wist precies wat hij wilde. Het zou dan wel niet zo creatief voor mij zijn, maar ik kon wel binnen vier jaar een mooi proefschrift schrijven. Ik begon er onbevangen aan. Ik geloofde ook wel in die theorie. We zouden gewoon wat meer details uitzoeken.”

De opzet was vrijwel hetzelfde als het originele onderzoek van Plooij, met vragenlijsten over het gedrag van het kind. Extra was dat De Weerth bij vier moeders thuis zelf iedere week drie uur lang het gedrag van het kind en de moeder ging observeren. Omdat die observatie zeer arbeidsintensief was, bleef het aantal onderzochte kinderen beperkt. Het ging om eerste kinderen, geboren na probleemloze zwangerschappen, uit volledige gezinnen waarvan de moeder niet werkte - om verstorende invloeden te beperken.

Plooij's ideeën over het ontwikkelingspatroon van baby's staan inmiddels bij honderduizenden huishoudens in de kast. Het boek beleeft in Nederland de 22ste druk en is vertaald in het Duits, Engels, Frans en Spaans. De 'Oei, ik groei!'-theorie komt er op neer dat een baby op vaste punten in zijn ontwikkeling periodes van emotionele instabiliteit doormaakt. Dan huilt het veel, slaapt het slecht, is het 'hangerig' en chagrijnig. Ouders moeten hun kinderen in deze perioden meer aandacht geven, want juist in deze overgangsfasen raken ouders en kind 'op elkaar ingespeeld'. De populariteit van het boek is goed te verklaren uit de geruststellende werking: de 'moeilijke momenten' - die bij kinderen vaak zonder duidelijke reden aanbreken - worden volgens Plooij niet veroorzaakt door verkeerd gedrag van de moeder, maar door hersenveranderingen “waardoor het kind een nieuwe waarnemingswereld is binnengaan”.

Cruciaal in Plooij's theorie is dat deze 'regressies', zoals hij de hangerige 'terugval' in gedrag noemt, zich altijd voordoen rond bepaalde leeftijden. Op grond van onderzoek onder vijftien kinderen en hun moeders hebben Plooij en Van de Rijt het volgende ritme vastgesteld: 5 weken, 8, 12, 17, 26, 36, 44, 52, en daarna nog bij 61-62 en 72-73 weken. Kinderen werken deze reeks 'crises' als een soort voorgeprogrammeerde machines af: bij te vroeg geboren kinderen gaan de weken pas tellen op de op grond van de laatste menstruatie uitgerekende geboortedatum.

Het onderzoek van De Weerth “had het verdere bewijs moeten leveren voor deze theorie”, herinnert zich emeritus hoogleraar psychologie P.B. Defares. Hij is voorzitter van de Stichting voor onderzoek naar van pyschosociale stress, die naast Plooij's professoraat in Groningen nog vijf andere bijzondere leerstoelen beheert. “Het is dus wel jammer dat er nu problemen zijn.”

En de problemen rezen snel. Tijdens het uitwerken van de gegevens die De Weerth gedurende 15 maanden in 1992/1993 had verzameld, groeide de frictie tussen meester en leerlinge gestaag. Uit het materiaal bleek volgens De Weerth dat Plooij's theorie niet klopte. Bij de vier kinderen die met veel moeite op 'normaliteit' waren uitgezocht, vond ze lang niet zoveel periodes van emotionele instabiliteit als Plooij's theorie voorspelde, en al helemaal niet op de momenten die voor alle kinderen vast zouden liggen.

In 1995 raakte de band tussen promotor en promovenda verbroken. Plooij had buiten medeweten van De Weerth een gemeenschappelijk geschreven artikel teruggehaald en zo gewijzigd dat er meer steun voor zijn theorie leek te zijn dan De Weerth toelaatbaar achtte. En toen De Weerth er achter kwam dat Plooij naar andere wetenschappers emails had gestuurd met de mededeling dat zijn promovenda “niet in de haak was”, was de maat vol, vertelt ze nu.

confrontatie

Tijdens een beslissende confrontatie tussen De Weerth en Plooij, augustus 1995,waren ook aanwezig de Groningse hoogleraar statistische analyse W. Molenaar, toen tevens 'aio-vertrouwensman' van de faculteit, en de door De Weerth aangezochte co-promotor Paul van Geert, hoogleraar ontwikkelingspsychologie op het Groningse 'Psychologisch instituut Heymans'. Toen deze twee de bezwaren van de promovenda ondersteunden, was Plooij - in de woorden van Van Geert - 'verbijsterd'. Uit protest gaf Plooij zijn promotorschap op. “Ik kon het niet meer voor mijn verantwoording nemen”, vertelt hij desgevraagd door de telefoon. Zijn plaats werd ingenomen door Van Geert.

Erg populair is Plooij niet geworden op het instituut in Groningen. “Hij kwam nauwelijks meer op de universiteit”, zegt Van Geert, gezeten aan een wanordelijk bureau in zijn kamer in het Heymans-instituut, met aan de muur door hem zelf gemaakte schilderijen. “Met de paar studenten die Plooij hier begeleidde ontstonden dezelfde problemen over de verwerking van gegevens. En dan moesten we die studenten toch gelijk geven. Plooij's theorie moest kloppen.”

Het kan verkeren. De ironie is niet alleen dat zijn theorie nu bestreden wordt met een onderzoek waartoe Plooij zelf het initiatief heeft genomen, Plooij heeft zelf de huidige golf van publiciteit over deze weerlegging veroorzaakt. Want het artikel dat De Weerth schreef over de toetsing van de 'Oei, ik groei!'-theorie - en dat volgend jaar deel zal uitmaken van haar dissertatie - werd op 11 november beloond met een artikelprijs 1996 (à 1.000 gulden) van de onderzoeksschool Institute for Study of Education and Human Development (ISED). Normaal wekt zo'n prijs weinig belangstelling buiten het vakgebied, maar het snierende persbericht dat Plooij uitbracht over zijn voormalige leerlinge trok niet alleen de aandacht van de pers maar ook die van de decaan van de Groningse faculteit, de socioloog prof.dr. J.L. Peschar. Hij was not amused en nodigde Plooij uit voor een gesprek. Maar Plooij belde af: hij nam ontslag als hoogleraar. “Twee dagen later belde hij dat hij dat ontslag weer herriep”, vertelt Peschar. “En dat kon. Want formeel is hij in dienst bij de Stichting voor onderzoek naar psychosociale stress.”

Inmiddels heeft het college van bestuur van de RUG zich over de zaak gebogen. Volgende week nemen stichting en universiteit een gezamenlijk besluit over de verdere gang van zaken. De kans dat Plooij's aanstelling, die volgend jaar afloopt, zal worden verlengd is klein. Na het conflict in 1995 heeft de Universiteit het eigenlijk al op zijn beloop gelaten. Stichtingsvoorzitter Defares zal volgende week een commissie van ter zake kundige wetenschappers benoemen die claims van Plooij en zijn promovenda moet beoordelen. “Plooij is geen quantité négligeable”, aldus Defares, die diens emotionele reacties betreurt maar wel kan begrijpen. “In feite is die prijs voor De Weerth als een provocatie te beschouwen. Maar zoals Poincaré zei: 'dans la science les émotions n'existent pas'.”

De Weerths prijswinnende stuk is een nieuwe versie van het stuk dat zij eerder met Plooij had geschreven. Het wordt binnenkort gepubliceerd in The British Journal of Developmental Psychology. “De zoektocht naar universele stadia van regressie en overgang, zeker wanneer het gaat om zoveel als tien stadia, is zinloos”, is de conclusie.

Plooij verwijt de prijswinnares dat de door haar onderzochte kinderen en ouders niet representatief zijn en wijst erop dat nog ongepubliceerd onderzoek uit Spanje en Zweden zijn theorie wèl bevestigt. “Het is heel slecht voor de wetenschap dat dergelijke artikelen gepubliceerd worden. Het zet mensen op het verkeerde been (...) Nog erger is het dat zo'n artikel ook nog eens beloond wordt”, schrijft Plooij in zijn persbericht.

Dr. T.H.A. van der Voort, hoogleraar empirische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Leiden en directeur van de onderzoeksschool (een samenwerkingsverband van zes universiteiten) was bij de toekenning van de prijs betrokken. “Het is een heel goed artikel. Mijn enige bedenking is dat het over maar vier kinderen gaat, maar daar staat tegenover dat die wel heel intensief zijn bestudeerd.” De weerlegging van Plooij's theorie verbaast Van der Voort niet: “Een theorie die een zo algemene geldigheid claimt voor zulke gedetailleerde sprongen is erg kwetsbaar voor falsificatie. In de groei van kinderen bestaat nu eenmaal erg veel variatie.”

Het ISED-bestuur ontving na de bekendmaking van de prijs een brief van Plooij waarin deze bezwaar maakte tegen de toekenning en schreef dat in het artikel essentiële informatie ontbrak. Zijn heranalyses van het materiaal zouden een geheel andere uitkomst te zien geven. “Maar toen ik aan Plooij vroeg of hij ons die analyse kon opsturen, zei hij dat hij geen tijd had om dat uit te werken. Tja, dan kunnen wij dat natuurlijk niet beoordelen”, aldus Van der Voort.

Inmiddels meldt Plooij per autotelefoon “heel erg geschrokken” te zijn door de golf van publiciteit van de afgelopen week, toen op televisie en in kranten prominent de weerlegging van de populaire 'Oei, ik groei!'-theorie werd gemeld. Daarom heeft hij besloten “er voorlopig het zwijgen toe te doen.” Bij een debat dat het tv-programma NOVA vorige week organiseerde liet hij onverwachts verstek gaan. “Ik bedank er voor”, wil Plooij nog wel kwijt. “Ik heb geen zin om met modder terug te gooien. Die sprongen bestaan gewoon, dat is bewezen. Waar praten we over? Vier baby's! Niet dat ik niks te zeggen heb, maar we kunnen beter wachten op de publicaties uit Göteborg, die gaan over 37 kinderen in Zweden en Spanje. Dat lijkt me heel wat gezonder. Ik heb nu al meer gezegd dat ik me had voorgenomen.”

paper

Mikael Heimann van de afdeling Specialpedagogik van de Samhallsvetenskapliga fakulteten van de Universiteit van Götenborg laat telefonisch weten dat de analyse van de replicatie van Plooij's onderzoek onder een vijftiental Zweedse baby's nog niet klaar is, maar dat het “er wel naar uit ziet dat zijn theorie wordt bevestigd. En dat hadden we eigenlijk niet verwacht, gezien alle culturele opvoedingsverschillen. Ik verwacht dat we zijn 'regressies' niet in alle details, maar wel voor 70 à 80 procent terug zullen vinden.”

Per fax zendt Plooij ook nog een paper waarmee prof. Marta Sadurní en Carles Rostan, van het Laboratorium voor Sociocognitieve Ontwikkeling van de Universiteit van Girona (Spanje) hun voorlopige resultaten presenteerden op een recent symposium in Göteborg. Vooral gebaseerd op de rapportage van de (werkende) moeders, vonden deze onderzoekers bij 18 baby's net als Plooij acht 'moeilijke perioden' in de eerste zestig weken. Voor dat congres in Göteborg werden Van Geert en De Weerth niet uitgenodigd. “Het contact met Zweden is verloren gegaan na het conflict met Plooij”, aldus Van Geert.

Het belangrijkste bezwaar van Plooij tegen de conclusies van De Weerth en Van Geert is dat alleen het ene kind dat zo'n beetje het patroon van zijn theorie vertoont representatief zou zijn. Bij de andere moeders is het patroon verstoord doordat één, zoals Plooij het in het persbericht noemt, “onder psychiatrische behandeling was en twee anderen extreme opvattingen hebben over laten huilen en schemavoeding en hun kind uren in de box zetten”. “Waarom staat dat niet in dat artikel? Nou, dat zou ik wel eens willen weten. Het is gewoon een kwestie van eerlijkheid”, zegt Plooij, die een dag later door de telefoon toch wel weer wat uitvoeriger commentaar wil geven.

De Weerth reageert verontwaardigd. “Er was inderdaad een vrouw die zich wel eens depressief voelde”, zegt ze op de kamer van haar promotor, terwijl ze de maxi cosy met haar negen weken oude dochtertje Florencia zachtjes heen en weer wiegt. “Daarover heb ik indertijd uitvoerig met Plooij gesproken. Dat was allemaal heel normaal, zei hij. Pas toen de uitkomsten tegen begonnen te vallen, gingen Plooij en zijn vrouw allerlei bijkomstige redenen zoeken, maar alleen voor de gevallen die van de theorie afweken. Vreselijk ad hoc allemaal. En die extreme opvoedopvattingen waar hij over spreekt zijn ook onzin. Ja, die moeders probeerden hun kinderen zo lang mogelijk in de box te houden. Maar welke moeder doet dat niet?”

De Weerth wijst er fijntjes op dat uit een later artikel van Plooij (1993) blijkt dat een van de moeders uit zijn oorspronkelijke onderzoek zich ernstig belemmerd voelde om haar kind te straffen wegens mishandeling door haar vader in haar eigen jeugd. Andere moeders waren bang dat hun echtgenoten de baby zouden slaan, omdat ze dreigden werkloos te worden. In het originele artikel werden deze gegevens niet vermeld. Maar volgens Plooij moeten deze twee artikelen als één geheel worden beschouwd: “Ik heb het niet verzwegen. Uit dat tweede artikel blijkt juist dat veel conflicten tussen moeder en kind tot de natuurlijke ontwikkeling behoren.”

De interpretatie van de gegevens over het gedrag van de kinderen uit de wekelijkse vragenlijsten die de moeders invulden bleek een veel groter probleem dan verwacht. De Weerth: “Want dan schreven ze bijvoorbeeld dat het kind de hele week vrolijk, maar 's nachts toch wel huilerig was geweest. Als ik daar met Plooij over sprak, zei hij dat ik dat 'flexibel-holistisch' moest interpreteren.” Van Geert: “Het is een godswonder dat in dat eerste onderzoek van Plooij zelf in die antwoorden van moeders wel zo'n duidelijk sprongenpatroon te zien was.”

eigenwijs

Plooij heeft nooit problemen met de codering van de gegevens gehad, zegt hij. “Ik vind inderdaad de holistische beoordeling van de toestand van het kind door de moeder belangrijker dan het door buitenstaanders in observaties vangen van allerlei gedraginkjes van het kind. Want het is niet een proces van het kind alleen, je meet de sociale interactie met de moeder. We hebben een goed systeem. Maar De Weerth wilde het telkens anders doen, ze is vreselijk eigenwijs. Daarbij komt dat ze Argentijnse is en niet perfect Nederlands spreekt.” De Weerth is nu negen jaar in Nederland. Tijdens het gesprek met haar afgelopen dinsdag in Groningen was niet te horen dat zij een Spaanstalige achtergrond had.

Van Geert stond aanvankelijk neutraal tegenover het onderzoek van Plooij. “Het was een duidelijke theorie, die empirisch onderbouwd was. Bij het vervolgonderzoek verwachtte ik wel dat het niet bevestigd zou worden, het was te mooi om waar te zijn”, zegt hij. “Toch zijn er interessante uitkomsten, ook voor Plooij. We hebben minder sprongen in de ontwikkeling gevonden dan Plooij voorspelt, maar het zijn er meer dan op grond van de psychologische theorie kon worden verwacht.”

Het uitgangspunt van Plooij's theorie is wel achterhaald, vindt Van Geert. “Alsof de kinderen een soort blauwdruk meekrijgen die ze afwerken.” Van Geert is zelf “behoorlijk bezig aan de weg te timmeren met een heel andere visie op ontwikkeling”. Zijn uitgangspunt bij de ontwikkeling van kinderen is niet een master plan, maar een zelf-organiserend systeem. De Weerth vult aan: “Een kind leert bijvoorbeeld grijpen omdat op een gegeven moment reiken, aanraken en bewegen toevallig op een bepaalde manier samenvallen zodat het opeens merkt dat het iets kan pakken. Dan gaat zo'n kind dat vaak verder oefenen. Soms gaat dat proces geleidelijk, soms heel snel. Met vaste patronen die voor alle kinderen het zelfde zijn heeft dat weinig te maken. Door de onvoorspelbaarheid blijft de moeder alert op haar kind, en tegelijkertijd kan het kind er door uitproberen achterkomen welk gedrag het beste pas bij het temperament van zijn moeder.”

Zelf zouden Van Geert en De Weerth niet de publiciteit over hun onderzoek hebben gezocht. De Weerth: “Mensen drongen er in 1995, na de breuk met Plooij, bij ons op aan om met de weerlegging van de theorie naar de kranten te gaan. Maar wij wilden liever rustig doorwerken. Eerst maar eens alles op papier zetten. Het 'Oei, ik groei!'-boek is ook niet gevaarlijk. Als er nou instond dat een kind van drie weken kan vliegen: 'gooi het dus maar het raam uit'. Wel legt het boek ontzettend de nadruk op de vroegst mogelijke verschijning van bepaalde vaardigheden. Toen ik dat bij die moeders telkens moest vragen, werd ik er zelf al helemaal somber van: 'Kan hij dit al? Nee. Kan hij dat al? Nee.' Je kunt beter schrijven op welk moment je je zorgen moet maken als een baby iets nog niet kan. Ik hoor van veel ouders dat ze het boek na een paar maanden wegleggen. Het klopt toch niet.”