Notenkraker vindt begraven zaden terug via geometrie

Veel dieren leggen een ondergrondse voedselreserve aan, omdat het eigen nest te weinig ruimte biedt voor de opslag van hoge stapels zaden en noten. In barre tijden komen de dieren toch tegemoet aan hun energiebehoefte, terwijl de buit verborgen blijft voor concurrenten. Maar hoe vinden dieren hun eenmaal begraven voedsel terug?

Alan C. Kamil en Juli E. Jones van de University of Nebraska in Lincoln voerden een hele serie tests uit met vijf uit het wild gevangen Clark notenkrakers (Nucifraga columbiana). Deze kraai-achtige blijkt zijn zaden terug te vinden aan de hand van geometrische verhoudingen tussen oriëntatiepunten in het landschap (Nature, 20 nov).

De twee Amerikanen voerden hun tests uit in een observatieruimte van 4,4 bij 2,7 meter. Er hingen verschillende posters aan de muren. Bovendien zat er een deur, een raam van matglas en een patrijspoort aan de oostzijde van de gezellige kamer. De vogels konden de ruimte binnenkomen via de patrijspoort. Als oriëntatiepunten gebruikten de onderzoekers twee PVC-buizen, een groene en een gele, die steeds in een noord-zuidpositie ten opzichte van elkaar stonden. De gele buis stond altijd het meest noordelijk.

Gedurende de eerste tests bleven de buizen op hun positie staan. De onderzoekers begroeven de zaden slechts half in de cellulose-bedekking, precies in het midden tussen de PVC-buizen. Daarna volgde de zogenoemde test-fase waarin de afstand tussen de buizen werd gevarieerd. Ze stonden 20, 40, 60, 80, 100 of 120 cemtimeter uit elkaar. En ook de oost-westpositie werd veranderd. In totaal waren er 135 posities in de testruimte mogelijk. De zaden werden in deze fase 1 centimeter beneden het oppervlak begraven, ook dit keer weer precies in het midden tussen de PVC-buizen.

Daarna moesten de vogels nog eens 45 experimenten ondergaan, iedere dag twee tot vier. Gedurende de eerste en laatste 10 proeven waren de afstanden tussen de buizen hetzelfde als tijdens de test-fase. In de daartussen gelegen 25 tests beproefden de biologen 5 nieuwe afstanden - 30, 50, 70, 90 en 110 centimeter. Daarmee wilden de onderzoekers bepalen of de vijf vogels zich konden aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Dat laatste bleek het geval. Het aantal foute opgravingen nam niet toe na het testen van de nieuwe afstanden. De afstand tot de noord-zuidlijn (de lijn tussen de twee PVC-buizen) bij foutgravingen bleef gemiddeld 5 centimeter. “De Clark notenkraker gebruikt een algemeen principe gebaseerd op geometrische verhoudingen tussen oriëntatiepunten”, zo schrijven de onderzoekers.

Om meer te weten te komen over het beslissingsproces van de vogels, varieerden de onderzoekers vervolgens de grootte (en dus het ruimtelijk effect) van de PVC-buizen. Dat had geen invloed op het graafgedrag van de vogels. Daarna werden de noord-zuidlijn geroteerd. Een rotatie over 45° had geen effect, eentje over 90° wel. De vogels maakten grotere missers. Ze groeven verder van de noord-zuidlijn tussen de twee buizen: gemiddeld 26 centimeter. De vogels bleken zich niet langer op de twee buizen te oriënteren, maar op slechts één buis. Waarschijnlijk raakt bij zo'n rotatie het normale beslissingsproces van de vogels in de war.

    • Marcel aan de Brugh