Niet bij de les

TWEE JAAR geleden besloot de gemeente Amsterdam het spijbelen aan te pakken. Een ludieke naam voor het project was snel gevonden. 'Bij de Les Blijven' werd het gedoopt. De Volkskrant berichtte dat de afgelopen twee jaar, dus gedurende de looptijd van het anti-spijbelproject, het verzuim in de hoofdstad spectaculair is gestegen; wat het speciaal onderwijs betreft van 5,9 naar 9,5 procent. Die cijfers maken duidelijk dat, als iemand niet bij de les is gebleven, dat de dames en heren van het projectteam zijn.

Zeven van de tien Amsterdamse scholen zoeken niet eens uit wat de reden is waarom leerlingen niet op school verschijnen, daarmee weer eens bevestigend dat het in het Amsterdamse onderwijs bestuurlijk en organisatorisch een rotzooi is. Scholen gaan hier ongetwijfeld steigeren. Sommige misschien terecht, maar zij dienen zich te realiseren hoe erg het op grond van deze cijfers dan wel niet elders moet zijn.

Voor alle duidelijkheid: het speciaal onderwijs herbergt leerlingen die een specifieke aanpak vragen. De noodzaak daartoe kan het gevolg zijn van een bepaalde handicap zoals slecht zien of horen, maar voor het gros van de leerlingen in deze sector geldt dat het moeilijke leerlingen zijn die in het reguliere onderwijs de gang van zaken zozeer verstoren en zoveel aandacht vergen dat ze daar niet te handhaven zijn. Het is dus onder die categorie dat het verzuim zo'n tien procent bedraagt. Deze jongeren langs de straat laten lopen betekent in de praktijk enkele reis richting criminaliteit.

Bestuurders die er een puinhoop van maken proberen hun gezicht te redden door bij tijd en wijle de indruk te wekken dat er met hen warempel niet te spotten valt. Zo worden de ouders van maar liefst 100 spijbelaars voor de rechter gedaagd. Dat is dus de harde kern, zou je van een projectteam dat al twee jaar bezig is, verwachten. Maar daar is geen sprake van. Het gaat hier om de simpelste prooien: de ouders die te laat van vakantie terugkeren. Voornamelijk dus Marokkanen en Turken die, meestal om de paar jaar, een zomer doorbrengen in hun geboorteland. Beladen met geschenken, onthaald door de hele familie vieren ze een lang en feestelijk weerzien. Zo'n vakantie kan niet lang genoeg duren en duurt in de praktijk dan ook al vlug te lang om weer op tijd in dat verre en weinig feestelijke Nederland op school te zijn.

Dit probleem kennen we niet twee jaar maar al meer dan twee decennia en wat mij verbaast is dat daar nog steeds geen andere oplossing voor is gevonden dan het rigide dreigen met boetes. In het licht van de gigantische maatschappelijke kosten die het verzuim vooral op termijn met zich meebrengt, moet daar toch een ander, veel effectiever antwoord op te vinden zijn. Daar komt bij dat die boetes geen fluit helpen. Als al die ouders een doktersverklaring overleggen dat hun kind ziek was - zo'n verklaring moet daar toch voor een paar centen te koop zijn - kan geen rechter hun iets maken. Deze simpele ontsnappingsmogelijkheid maakt het ook om praktische redenen noodzakelijk een ander antwoord te bedenken.

Het te laat terugkeren van vakantie is een probleem omdat daarmee de risicogroep van allochtone leerlingen nog eens extra gevaar loopt uit de onderwijsboot te vallen. Maatregelen moeten daarom verband houden met de schoolprestaties. Zo zou je leerlingen die een of twee weken kunnen missen daar toestemming voor kunnen geven. Dat kan zeer stimulerend werken. Ook kun je de toestemming koppelen aan de verplichting om de gemiste tijd in te halen. Na school of op zaterdag. Zo'n voorziening kost vermoedelijk minder dan het juridische circus dat gegarandeerd niet helpt en kost zeker minder dan de maatschappelijke gevolgen van drop-out.

    • Leo Prick