Moet de rechter van het bestuur afblijven?

De allergie van bestuurders voor de overheid niet welgevallige rechterlijke uitspraken is wijd verspreid. Lammers, van Kemenade, Vonhoff, Broxks: zij zijn voorbeelden van overheidsbestuurders die recent in het openbaar lucht hebben gegeven aan hun onvrede over beslissingen van een rechter waardoor een overheid haar plannen niet kon uitvoeren of haar standpunt moest bezien.

Herman Wigbold heeft hiervan op deze pagina van 4 november een ietwat gemakzuchtige samenvatting gegeven. Het woord gemakzuchtig gebruik ik omdat Wigbold bij geen van zijn voorbeelden zelfs maar een poging doet om iets van de motivering van de door hem genoemde rechterlijke uitspraken te laten zien. Die motivering zou het begrip voor de ingrepen kunnen vergroten.

Daarbij is zijn voorbeeld van de recente weigering door de Hoge Raad om de staat strafrechtelijk aansprakelijk te stellen een sprekend exempel van het tegendeel van wat Wigbold betoogt. De rechter onthield zich juist van ingrijpen omdat hij vond dat hem in onze staatsinrichting de bevoegdheid tot strafrechterlijk ingrijpen in de bestuurlijke taak van de overheid niet toekwam. Hij bleef dus van het bestuur af.

Het is onbestreden dat de Nederlandse rechter in vergelijking met zijn Angelsaksische collega terughoudend is. Judicial activism is in ons land bescheidener dan in de Amerikaanse traditie. Grote maatschappelijke vraagstukken als die van rassendiscriminatie en -scheiding en de toelaatbaarheid van de doodstraf moesten in dat land mede door de rechter worden beslist. Niettemin heeft de Amerikaanse hoogste rechter - benoemd en niet gekozen - een groot gezag verworven.

Rechterlijk ingrijpen heeft altijd gevolgen in de leef- of werkomstandigheden of het vermogen van wie het aangaat. Dat is niet anders wanneer een overheid partij in het geding is. De wetgever heeft - een zeldzame uitzondering daargelaten - de rechter opgedragen ook het handelenen nalaten van de overheid te toetsen en aan die toets gevolgen te verbinden. Die wetgever heeft niet alleen aan de rechter een opdracht en dus bevoegdheid tot dit ingrijpen gegeven, vergezeld van strenge voorschriften als een motiveringsplicht, openbaarheid van behandeling en appel-mogelijkheid. Hij heeft ook het handelen van de overheid toetsbaargemaakt door aan die bestuurlijke overheid procedure-voorschriften en vaak ook materiële criteria aan te reiken waaraan die overheid gebonden is.

Het is niet aan de rechter om uit te maken of Brinkman wel of niet geschikt is als hoofdcommissaris van politie te fungeren. Het is wel zijn taak om, als dit door de belanghebbende wordt gevraagd, erop toe te zien dat de spelregels voor diens een ontslag in acht zijn genomen. Dat is rechtsbescherming. Het kunnen inroepen van zulke bescherming is fundamenteel.

Een ander voorbeeld van rechterlijk ingrijpen dat de dagbladen heeft gehaald: de vernietiging van besluiten rond de voorgenomen nieuwbouw van het Van Abbe-museum. Dit laat zien dat bepaalde belangen (de monumentale waarden van het bestaande gebouw) onvoldoende kans hadden kregen om afgewogen te worden tegenover de andere in het geding zijnde belangen. Die afweging maakt de rechter niet. Hij ziet er alleen op toe dat het contragewicht tenminste op de weegschaal wordt gelegd. Is dat niet het geval, dan handelt de overheid onzorgvuldig of met willekeur. De rechter grijpt dan desgevraagd in. En dat is pijnlijk voor die overheid.

Ik zou Herman Wigbold willen uitnodigen te speuren naar voorbeelden waarin de rechter niet volgens zijn opdracht en plicht heeft gehandeld. Anders moeten bestuurders wellicht met een allergie leren leven.

    • H.G.F.M. de Kok
    • Raadsheer bij het Gerechtshof in den Bosch