Menige stand een privé-museum

PARIJS, 22 NOV. De eerste Europese beurs voor fotografie, Paris Photo, lijkt een groot succes te worden. In 'Le Carrousel du Louvre' heeft men niet eerder een zo druk bezochte vernissage meegemaakt.

Tot en met 24/11. Zo. 11-20u., Ma. 10-18u.

Donderdagavond perste zich een publiek van punkers en chique Parisiennes door de zestig stands waar een net zo geschakeerd aanbod van zowel historische als eigentijdse fotografie prijzen tussen de 300 en 300.000 gulden moet opbrengen.

De hoogbejaarde Franse fotografe Gisèle Freund, die in 1984 een stugge Matisse voor de lens kreeg, werd diezelfde avond achtervolgd door vele handtekeningenjagers. “Hoef ik nu alsjeblieft niet meer”, smeekte de kettingrokende Freund haar galeriehoudster.

De Hongaarse handelaar Csaba Morocz verkocht meteen bijna al het werk dat zijn hier onbekende landgenoten in de jaren twintig en dertig maakten. Constructivistische beelden, sfeervolle Kertèsz-achtige straattaferelen, die doen uitkijken naar wat Boedapest nog verborgen houdt.

En bij de net opgerichte Franse galerie Carré Noir liep het storm op de net zo onbekende Russen uit diezelfde, nu populaire periode uit de fotogeschiedenis.

V. Yeromine legde in de jaren dertig vlijmscherp een nachtelijke hemel vast ter grootte van een luciferdoosje, en niet minder spannend zijn de ingetogen naakten van Alexandre Grinberg.

Volgens de Nederlandse initiatiefnemer van deze beurs, Rik Gadella, maakt de fotografie zowel commercieel als artistiek een enorme opwaardering mee. De prijs van daguerrotypen is de laatste vijftien jaar vervijftigvoudigd.

En steeds meer jonge kunstenaars, die beslist geen fotograaf willen heten, passen op grote schaal klassieke en digitale technieken toe.

De tijd is rijp, vindt Gadella, om juist in Frankrijk - dat al fotofestivals kent in Arles en Perpignan, dat al jaren in Parijs een Mois de Photo organiseert, en dat ook de bakermat is van de fotografie - een groter Europees publiek in het collectioneren te interesseren. Een interesse die in Amerika allang niet meer aangewakkerd hoeft te worden.

Vaker terugkerende, 'moderne' namen op deze beurs zijn: Pierre Molinier, Sally Mann en Robert Mapplethorpe. Globaal gezien valt op dat de tien Amerikaanse handelaren zich met 'reuzen' als Weegee, Abbott, Brandt, Brassai, Strand, Heine en Atget hebben aangepast aan het conservatieve Franse fotopubliek.

Hun Spaanse collega's durven meer: ze laten desnoods vrolijke closeups van speelgoedbeesten zien of een heer die voor de verandering poseerde in een colbert van bloederige runderlappen.

De Nederlandse exposanten Elsbeth Struyk van Bergen, met onverbiddelijk scherpe jonge mensenportretten, en Arnout Overbeeke, die in nostalgische grijstonen de nu oude Cobra-schilders vastlegde, krijgen binnenkort dankzij de beurs reportages in Franse bladen. Het werk van Desireé Dolron, bij Flatland Galerie, ligt ook goed in de markt, maar aan het hightech-surrealisme van Micha Klein is men nog niet toe.

Menige Paris Photo-stand mag dan op een privémuseumpje lijken, de selectie die de in Amsterdam woonachtige Duitser Manfred Heiting uit zijn verzameling toont doet elk museum watertanden. Heiting wijst naar een twee meter breed panorama van Gustave de Gray, een legerkamp in 1857: “Ik verzamel alleen technisch perfecte foto's. Die zijn inmiddels schaars en onbetaalbaar. Gelukkig ben ik in de jaren zestig al begonnen”.

Die perfectie zit in een locomotief (1923) van Renger-Patzsch, in Marlène Dietrich (1948) van Irving Penn en in een bijtgrage sprinkhaan die Edward Steichen in 1922 betrapte.

Waarom laat Heiting geen keuzes van zijn 4000 werken omvattende verzameling in Nederland zien? “Ach, daar kent men deze passie niet. Om nog maar te zwijgen over het slome fotoverzamelbeleid van de musea”.

    • Marianne Vermeijden