Karel van Miert, Europees Commissaris voor mededinging; Overheidshulp is overal de nationale drug

Volgende week wordt de Nederlandse Mededingings Autoriteit geïnstalleerd die vanaf 1 januari zal toezien op de handhaving van gezonde concurrentieverhoudingen. Europees Commisaris Mededinging Karel van Miert toont zich tevreden. En dat Nederland de verleiding kon weerstaan om Fokker overeind te houden - petje af. Maar die steun voor bezinepomphouders aan de grens, daar zal hij het ministerie van financiën nog wel eens over onderhouden.

Toen Karel van Miert nog een jonge medewerker was in Brussel, had hij enkele malen contact met Ruud Lubbers, die destijds minister van Economische Zaken was in het kabinet-Den Uyl. “We hebben toen al eens gesproken over kartels. Lubbers zag wel in dat dit systeem op termijn zou vastlopen”, vertelt Van Miert, tegenwoordig een gezaghebbend Europees Commissaris, in zijn kantoor te Brussel: “Maar de tijd was nog niet rijp voor veranderingen.”

Nederland heeft binnen Europa zeer lang gegolden als een kartelparadijs waar meer dan 400 formeel goedgekeurde kongsi's naar believen prijsafspraken maakten en de markt onderling verdeelden. “Elk land heeft zo zijn methoden om de eigen industrie te bevoordelen. Ondernemingen willen graag nieuwe markten veroveren in de buitenland en tegelijkertijd de eigen markt tegen buitenlandse toetreders beschermen, met behulp van veelal defensieve kartels”, weet van Miert. “In Nederland gold het algemeen belang als maatstaf en daarmee kun je natuurlijk van alles doen; het is in wezen een corporatistisch systeem.”

De Belg Van Miert is binnen de Europese Commissie verantwoordelijk voor het Mededingingsbeleid, dat de laatste jaren enorm aan belang heeft gewonnen door de opkomst van de interne markt in Europa en de aanzwellende fusiegolf. Staatsteun aan Volkswagen en Crédit Lyonnais, de fusie Boeing-McDonnel, de sanering van de Europese staalindustrie, steeds komt Van Miert nadrukkelijk in de schijnwerpers.

Hij is doorgaans niet beducht voor krachtige publieke uitlatingen, zoals afgelopen week over de betweterigheid en zeurpieterij van Nederland die het land internationale topbanen zou kosten: “Soms zeg ik wel eens wat, als het nodig is.”

In aanwezigheid van Van Miert wordt komende dinsdag de Nederlandse Mededingings Autoriteit (NMA) ten doop gehouden in een poging voorgoed af te rekenen met 'Nederland-kartelland'. De NMA wordt de Nederlandse toezichthouder in de nieuwe mededingingswet, die op 1 januari 1998 van kracht wordt. Horizontale prijsafspraken (tussen concurrenten), verticale prijsafspraken (tussen leverancier en afnemer), marktverdeling en misbruik van dominante posities zijn het jachtterrein van de NMA, net als fusies en overnames die te klein zijn voor Brussel.

Van Miert is vol lof over de Nederlandse wetgeving. “Nederland is van een Europees staartland, met een scherpe demarrage in één ruk in de kopgroep gekomen, Er is geen sprake van een formele harmonisatie, maar de Nederlandse wetgeving sluit wel nauw aan bij de Europese. Er begint een systeem te ontstaan: de Commissie voor Europa en daaronder de nationale toezichthouders in de afzonderlijke lidstaten. Er komt diepte in het toezicht op het nationale vlak.”

Ongevraagd voegt hij eraan toe heel tevreden te zijn over de omvang van de NMA, waar ongeveer 70 juristen en economen komen te werken. “De middelen voor toezicht en opsporing in Nederland lijken me voldoende en dat is heel belangrijk. België kent bijvoorbeeld een goede wet, maar de voorzitster van de toezichthouder doet haar werk naast een andere full time-job. In de praktijk is er nauwelijks tijd om echt op te treden.”

Ziet u zwakke plekken in de wet? “Natuurlijk zal de praktijk uitwijzen dat er aanpassingen nodig zijn, maar dat is normaal. Dat moet de Commissie van tijd tot tijd ook doen.”

De NMA is voorlopig nog onderdeel van Economische Zaken en ook na de beoogde verzelfstandiging is sprake van politieke controle. Is de NMA onafhankelijk genoeg?

“Ik heb geen probleem met het achteraf afleggen van verantwoording door een toezichthouder aan de politiek; dat is een vorm van noodzakelijke democratische controle. Iets anders is dat de politiek zich niet te gemakkelijk moet gaan bemoeien met specifieke dossiers. De schoonmoeder moet natuurlijk niet te dicht op schoot komen zitten.”

Is Nederland los van de formele wet mentaal wel aan deze vernieuwing toe?

“De afgelopen jaren heeft de Commissie al wat bressen geslagen in de kartels, zoals bij de kranen, de kachels en de bouwnijverheid. Ook in Nederland zelf is de aanpak al grondig gewijzigd. Er waren al langer tekenen van verandering, bijvoorbeeld in de tijd van mevrouw Van Rooij (indertijd staatssecretaris op EZ). Stilletjesaan is er mentaliteitsomslag en de afgelopen 10, 15 jaar is het concurrentiebewustzijn gegroeid. De geesten zijn nu zoveel rijper dat de NMA zonder al te veel moeilijkheden kan worden ingevoerd.”

Moet de NMA voorzichtig beginnen of meteen agressief aanpakken?

“Allebei. Concurrentiebeleid is een relatief nieuw verschijnsel, waarvan men vaak geen idee heeft hoe ver het reikt. Men moet er bijvoorbeeld aan wennen dat de mededinging zelfs voor de sport geldt, zoals in Duitsland. Het duurt even voordat men ermee vertrouwd raakt en daarmee zal de NMA ook te kampen hebben. Het gaat erom dat de NMA geloofwaardigheid verwerft en kiest voor een pragmatische aanpak. Ik ben de laatste om te zeggen, dat eerst de kat maar eens uit de boom moet worden gekeken. Maar het heeft ook geen zin om achter alle hazen aan te jagen, want dan mis je ze allemaal.”

Wat zijn volgens U kartelgevoelige sectoren?

“In de traditionele sectoren zoals papier, suiker en staal hebben we veel moeten optreden. De brute kartels bestaan niet meer, er zitten nu wat versierselen op die als dekmantel dienen. Het gaat dan om afspraken op onderdelen, voor speciale produkten - meer gesofisticeerd dus.”

Oliemaatschappijen?

“De energiemarkt is tamelijk gesloten met allerlei exclusieve leveringen en langlopende contracten. De energiesector zijn we nu aan het bekijken en U zult daarover binnenkort iets vernemen, maar op het gepaste moment. In mijn functie moet je weten wanneer te spreken en wanneer te zwijgen.”

Een recent onderzoek toont aan dat de Nederlandse benzinemarkt moeilijk toegankelijk is voor nieuwkomers. Ziet U dat ook zo?

“De specifiek Nederlandse situatie ken ik niet. Net als bij bierproducenten met de pubs hebben we bij oliemaatschappijen verticale binding toegestaan met de pompstations. We zijn dat opnieuw aan het bekijken of die exclusieve afnamecontracten mogen blijven bestaan, maar ik weet niet wat de conclusies zullen zijn.”

Wat vindt u ervan dat het krantenkartel in Nederland voorlopig mag blijven voortbestaan?

Voor het eerst antwoordt Van Miert heel omzichtig. “Dat is een maagdelijk terrein, waarnaar ook met andere ogen gekeken wordt dan die van de mededinging alleen. In Duitsland speelt bij de tv wat zij daar de veelheid van meningen noemen. Daar speelt niet alleen het concurrentievraagstuk, maar ook de pluriformiteit van de pers.,

Vindt u het in dat kader wenselijk dat in Nederland na de fusie van de Perscombinatie en Dagbladunie maar liefst vijf min of meer landelijke kranten in een concern zijn gebundeld?

Opnieuw is Van Miert voorzichtig. “Bij dagbladen gaat het in essentie nog om een nationale markt. Op Europees plan hebben daarmee nog niet veel te maken gehad. Ik herinner mij een geval van een dagbladenfusie in Italië, waarbij verschillende sportkranten in één hand dreigden te komen - dat is uiteindelijk niet doorgegaan. De Nederlandse krantenfusie is niet aangemeld bij ons, dus ik kan er alleen in theoretische zin over praten. Als ik mij over de kranten buig, doe ik dat niet zozeer vanuit een concurrentie-oogpunt, maar meer als burger, die bezorgd is over de werking van de democratie. Ik kan wel zeggen dat de fusies in de mediawereld mij wat dat betreft zorgen baren. Er is zeker in de publiciteitsmarkt sprake van dominante posities. Als dat ook in dit geval ook zo zou zijn, dan leidt dat bij mij tot een negatieve houding.”

De huidige fusiegolf baart Van Miert wat dat betreft veel zorgen door het ontstaan van grote, vaak zeer dominante combinaties. De Commissie bekijkt op dit moment onder meer de voorgenomen fusies van de uitgevers Reed Elsevier en Wolters Kluwer en van de accountantskantoren KPMG en Ernst & Young. Eerder dwong de Commissie bij de fusie van de vliegtuigfabriek Boeing met McDonnel Douglas enkele aanpassingen af. Het criterium is of de nieuwe combinaties de concurrentie niet elimineren.

Van Miert: “Bij vliegtuigmotoren zijn er nu nog vier spelers over en eigenlijk al minder. Wereldomvattende allianties, zoals die in de luchtvaartzijn al tamelijk ver zijn ontwikkeld. Bij de telecom staan we wat dat betreft nog aan het begin van een dergelijke ontwikkeling. Het wordt heel moeilijk om nog toe te treden op deze markten. Ik zou niet graag een airline beginnen of een fabriek in vliegtuigmotoren. Over de fusie KPMG/Ernst & Young hebben bedrijfsleiders al gezegd: 'Dit gaat te ver, we hebben nog maar keuze uit enkele bureau's'. Ook ik begin me daarover grote zorgen te maken.”

Brussel blijft ook kijken naar concurrentievervalsende vormen van overheidssteun en dat is de meest omstreden vorm van mededingsbeleid. “Overheidshulp is de nationale drug, die alles oplost. Iedereen is eraan verslaafd: patroon, vakbond en politiek. En altijd in naam van de tewerkstellingspolitiek. Ook al is een fabriek perfect niet meer levensvatbaar, de Commissie ligt in de publieke opinie onder vuur als we staatssteun verbieden. Je krijgt dan van alles naar je hoofd”, vertelt van Miert.

Nederland geeft Van Miert doorgaans weinig hoofdpijn. “Het aantal dossiers is bescheiden, net zoals in Denemarken, Zweden en Groot-Brittannië. Dat ligt anders in Duitsland en Frankrijk en zeker ook Spanje is een trouwe klant van mij”, zegt Van Miert: “Ik moet hierbij ook mijn respect uitspreken voor de Nederlandse overheid, die heeft geweigerd om bij Fokker een vrachtwagen met geld binnen te rijden. Hoeveel landen zouden niet hebben geprobeerd een fabriek te redden die niet meer te redden was?”

Toch ligt bij Van Miert op het bureau het technolease-dossier met de overheidssteun aan onder meer Philips. Nou ja, op het bureau, de bescheiden van de Nederlandse overheid hadden vorige week binnen moeten zijn “en zijn er nog niet”. Ook heeft Van Miert een onderzoek ingesteld naar de financiële compensatie voor benzinepomphouders in de grensstreek, die door de accijnsverhoging klanten zijn kwijtgeraakt aan Duitse en Belgische pomphouders. Omdat het gaat om kleine bedragen meent Nederland dat de steun valt onder de zogeheten 'de minimis'-regeling, die bepaalt dat bedragen onder de ton niet gemeld hoeven te worden in Brussel.

Het ministerie van Financiën klaagt dat U een onderzoek bent begonnen, terwijl het overleg over wel of geen 'de minimis' nog loopt. Is dat terecht?

“De regeling is ontworpen om niet te veel tijd kwijt te zijn met kleine gevallen van overheidssteun die geen grensoverschrijdende effecten hebben. De steunbedragen zitten inderdaad onder deze grens, maar zijn wel strijdig met de geest van de regeling - en ik kan het weten want ik heb de regeling zelf ontworpen. Wat Financiën doet heeft namelijk wel grensoverschrijdende effecten, namelijk door het concurrentievoordeel van andere pomphouders in de grensstreek te compenseren. Dat is een oneigenlijk gebruik van de regeling.”

Door bijvoorbeeld de goedkeuring van Brussel voor de zeer omvangrijke staatssteun aan het Franse Crédit Lyonnais bestaat bij het publiek de indruk dat de grote landen hun gang kunnen gaan terwijl de kleintjes moeten oppassen. Wat vindt u daarvan?

“Inmiddels zijn we zover dat we met de evaluatie kunnen beginnen. Aan de staatssteun voor CL hadden we strikte voorwaarden gesteld. Die zijn niet volledig nagekomen en bovendien is er nieuwe steun bovenop gekomen; laat ik zeggen dat er vrachtwagens met geld zijn binnengereden. We hebben een jaar geleden het dossier heropend en we hebben de Franse regering gevraagd om toelichting. Er is gevraagd om uitstel in verband met het aantreden van de nieuwe regering en normaal gesproken geven we dat uitstel dan ook. Maar het dossier komt op tafel en ik kan nu al zeggen: het komt keihard op tafel.”

“Neem ook het geval met Volkswagen en die illegale steun van de fabriek in Wolfsburg. De Duitse regering heeft aanvankelijk geweigerd om het geld terug te halen en wij hebben dus - dat hebben wij als sanctiemogelijkheid - elke andere steun voor Volkswagen geblokkeerd. Deze week is er een overeenkomst zwart-op-wit gesloten waarbij de Duitse regering elke mark overheidshulp definitief zal gaan ontrekken aan VW. Het idee dat de kleintjes worden gepakt en de groten gespaard is niet alleen onjuist, het wordt ook steeds onjuister.”

    • Karel Berkhout