Hondenstemming

IS HET WAAR dat je valse honden nooit moet aankijken, vraagt een jeugdige lezer in A. Zij had laatst een padvinderachtig boekje in haar schoen gekregen waar dat in stond: dat je kwaaie honden nooit in de ogen moet zien. Of woorden van gelijke strekking. Een andere lezer, die al eens eerder vragen had over de zin van geeuwen, vroeg zich af wat toch het nut was van het tong-uitsteken bij inspannende karweitjes.

“Vooral jonge kinderen zie je vaak, bij het puzzelen bijvoorbeeld, hun tong een klein eindje naar buiten steken.” De vraag naar het nut slaat meestal op evolutionair nut, de lezer wil dus weten of het tong-uitsteken helpt in de strijd om het bestaan. Het leek aardig de twee vragen in combinatie te behandelen.

Op dat van die tong was zonder veel inspanning antwoord te krijgen want Jay Ingram nam tongue-showing op in 'The science of everyday life' (Viking, 1989), een boekje vol gouwe-ouwe AW-vragen (hard of zacht lopen in de regen, links of rechtsom in de gootsteen, nooit alleen geeuwen in gezelschap, enzovoort).

Hoewel het tongtonen meestal onbewust wordt gedaan (overigens ook bij gorilla's) kan het makkelijk worden opgewekt door proefpersonen opdrachten te geven die hun vermogen nèt iets te boven gaan. Met een ei op een klein lepeltje over een rechte streep lopen, zoiets.

Het signaal dat de tongtoner afgeeft is dus: stoor mij niet, hinder mij niet, spreek mij niet aan. Dat laatste werd duidelijk gedemonsteerd in een proefje waarbij een door de onderzoeker geïnstrueerde helper plaats nam op een trap die toegang gaf tot een universiteitsgebouw en de omhoogkomende, onwetende studenten en docenten strak in het gezicht keek. Een groot deel van de passanten bracht vlak voor de ontmoeting de tong naar buiten.

Ingram verwijst naar Semiotica (vol. 11, no.3, 1974) als bron, achteraf schiet te binnen dat Desmond Morris in zijn studie over non-verbale communicatie (Manwatching, 1977) ook wel wat over tongtonen gezegd zal hebben. Wat hier even van belang is is dat het tongonderzoek terloops aantoont dat ook onder mensen het recht-in-het-gezicht kijken als een daad van agressie geldt. Wie wel eens 's avonds langs een clubje verveelde Halbstarken moest wist dat natuurlijk al langer. Tegelijk maakt het tongartikel duidelijk dat de mens gevoelig is voor subtiele nuances in de gelaatsuitdrukking. Als de opgelegde taak erg lastig wordt (zoals bij het met-losse-handen fietsen door ongeoefenden) kan de tong erg ver naar buiten komen, maar doorgaans is-ie bij volwassenen nauwelijks te zien. Toch wordt-ie opgemerkt, zij het onbewust, zoals hetzelfde onderzoek in Semiotica aantonde.

Ook katten, weten kattenbezitters, beschouwen het recht-aankijken vaak als een soort uitdaging. Wie contact zoekt met onbekende, verwilderde katten, schreef Roger Tabor ('The wild life of the domestic cat', Arrow Books, 1983) moet vooral veel wegkijken en ook veel geeuwen. Er is dus de neiging hier de padvindersgids gelijk te geven: je moet kwaaie honden niet in de ogen zien. Zekerheidshalve wordt eraan toegevoegd dat het wegkijken een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is om een aanval te voorkomen. Men staat dus voor de taak vanuit de ooghoeken te volgen hoe de hondenstemming zich ontwikkelt, ongeveer zoals het vrouwtje zilvermeeuw hier op de foto doet. De illustratie is er een van een serie uit Niko Tinbergens 'Signals for survival' (Clarendon Press, 1970) en laat zien hoe een zilvermeeuwwijfje contact zoekt met een zilvermeeuwmannetje en alle zeilen bij moet zetten om niet door hem te worden aangevallen.

Mensen zijn gevoelig voor subtiele nuances in de expressie van soortgenoten, maar leren aardig genoeg van lieverlee ook de bescheiden mimiek van honden en katten, ja zelfs van papegaaien, begrijpen als ze maar voldoende omgang met die dieren hebben. Die kennis komt niet vanzelf, kinderen kunnen het kwispelen van hond en kat lelijk door elkaar halen.

Toch zitten er onmiskenbaar aangeboren kanten aan de waardering van het dierenuiterlijk, om precies te zijn: aan de aspecten van het uiterlijk die een rol kunnen spelen in het Kindchenschema. 'Kindchenschema' is de term die Konrad Lorenz introduceerde om er de onschuldige uitstraling van jonge dieren en mensen mee aan te duiden. Afgeronde lichaamsvormen, een relatief grote, ronde kop en grote ogen spelen er een rol in. Het Kindchenschema heeft, voor zover viel na te gaan, alleen een functie binnen de soort. Jonge dieren met karakteristieke jonge-dieren-kenmerken zijn meestal verzekerd van tolerantie en in voorkomende gevallen zelfs van actieve steun van volwassen soortgenoten. Maar het aardige is dat de natuur voor het Kindchenschema min of meer universeel geldende 'trucs' inzette waardoor de herkenbaarheid van jonge dieren ook over de soortsgrens heen erg goed is. Mensen laten zich ontroeren door kalfjes, lammetjes enzovoort omdat die op essentiële punten op kindjes lijken. (Het effect is uitgebuit en gemaximaliseerd in teddyberen, de grote panda en Mickey Mouse.) Maar het werkt ook andersom: wie oplet merkt op dat ook volwassen honden en katten een scherp onderscheid kunnen maken tussen peuters/kleuters en grote mensen.

De meest universele truc voor het Kindchenschema is waarschijnlijk het donkere oog. Het is frappant hoeveel dieren die als volwassenen lichtgele of lichtgrijze ogen hebben op jonge leeftijd donkere ogen bezitten. Ook mensen beschouwen donkere ogen als vriendelijk en onschuldig. Vergelijk de 'gemene' zilvermeeuw met het 'lieve' stormmeeuwtje. Of vergelijk Steve McQueen met Anil Ramdas. Des te eigenaardiger dat uitgerekend bij de mens de overgang van donkere naar lichte ogen bij het opgroeien niet voorkomt. Eerder is het omgekeerde het geval. We staan hier voor een evolutionair mysterie.

    • Karel Knip