Homohuwelijk (1)

In NRC Handelsblad van 19 november trok prof. Van Mourik voor de zoveelste maal ten strijde tegen het 'homohuwelijk'. De juridische argumenten die hij aanvoert snijden voor een groot gedeelte echter geen hout.

Van Mourik stelt dat het huwelijk in zijn huidige vorm niet zomaar ineens afgeschaft kan worden. Het feit dat al gedurende lange tijd zowel brede maatschappelijke alsook juridische discussies rond het vraagstuk gevoerd zijn, doet dit argument in de prullenbak verdwijnen.

Van Mourik stelt terecht dat het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (in artikel 12) iedere man en vrouw het recht geeft in het huwelijk te treden. Het EVRM, net als andere mensenrechtenverdragen, mag echter nooit ingeroepen worden teneinde grondrechten verder dan noodzakelijk te beperken. Het recht door het EVRM gegarandeerd, mag dan ook absoluut niet opgevat worden als een verbod om het 'homohuwelijk' mogelijk te maken.

Zoals Van Mourik als gerespecteerd jurist zou moeten weten, bestaat het juridische systeem voor grote delen uit ficties. We hoeven de boeken 3 en 6 van ons BW maar open te slaan om grote aantallen ficties te vinden die het ons mogelijk maken ons dagelijks leven te vergemakkelijken. Dat het recht slechts de realiteit dient te bevestigen is een, tevens in rechtsfilosofische zin, zeer achterhaald idee.

Van Mourik is in hart en nieren tegenstander van het 'homohuwelijk'. Dat is op zichzelf mogelijk. Het komt er dan echter op aan, zeker waar het gaat om mensen die men wetenschappelijke kwaliteiten toedicht, met zuivere argumenten te komen die pleiten tegen dit 'homohuwelijk'. Daarbij is wetenschap ook het luisteren naar andere argumenten dan die van jezelf. De retoriek die Van Mourik gebruikt, bevestigt eerder het idee dat hij een homohater is, dan dat hij werkelijk bezorgd is om het karakter van het huwelijk zoals het nu bestaat.

    • Joost P.J. van Wielink