Handen met hersens

'VROEGER HAD je voor een baan in de metaal twee goeie rechterhanden nodig”, zegt Will van Rooijen, directeur van het gelijknamige plaatwerk- en constructiebedrijf in Numansdorp, “maar tegenwoordig moet je ook een goed stel hersens hebben.” Van Rooijen wijst op een enorme machine die tot op honderdsten van millimeters nauwkeurig gaten en inkepingen in roestvrije stalen platen slaat.

“Kost een miljoen, zo'n ding”, zegt Van Rooijen niet zonder trots. “Helemaal computergestuurd. De man die hem bedient is er speciaal voor op cursus geweest.” Hij wil maar zeggen: het beeld van de metaal als een sector waar vuil en lawaaiig werk wordt verricht klopt niet meer. “Dit is pure high tech.”

Werkgever Van Rooijen zit te springen om vaklui, want over werk heeft hij niet te klagen. Het is zelfs zo erg dat hij klanten moet teleurstellen omdat hij niet voldoende personeel kan krijgen. Het liefst zou hij “een bedrijfsschool naast z'n tent zetten”, waar met ouderwetse degelijkheid een “prachtig vak” geleerd kan worden, zoals hij zelf vroeger het metaalvak leerde op de bedrijfsschool van Wilton-Feijenoord. Nu krijgt Van Rooijen af en toe een jongen van de naburige scholengemeenschap over de vloer, die als leerling VBO (voorbereidend beroepsonderwijs) twee weekjes komt 'snuffelen' in de metaal. “Daar heb je weinig aan”, zegt werkgever Van Rooijen. “Laat zo'n gosertje één dag per week hier meelopen, dan heeft hij na twee jaar een beetje ervaring met die machines opgedaan en kunnen ontdekken hoe mooi èn hoe goed betaald een job in de metaalbewerking is.”

Het wil nog steeds niet erg vlotten met de aansluiting tussen de metaalopleidingen en de beroepspraktijk. Het aantal leerlingen in het voorbereidend beroepsonderwijs dat deze richting kiest is na een jarenlange terugloop weliswaar gestabiliseerd, maar de toeloop is volstrekt onvoldoende om in de grote vraag naar vakmensen in de metaalbewerking te voorzien. Er stromen te weinig jongeren door naar het leerlingwezen metaalbewerking en op de MBO-opleidingen stranden er te veel. Op dit ogenblik zijn er zeker vijfduizend openstaande vacatures, zegt Ilja Aussems, woordvoerster van de Stichting Oom. Deze stichting beheert een opleidings- en ontwikkelingsfonds voor de metaalbewerkingssector dat tweeëneenhalf miljoen gulden heeft te verdelen over 285 VBO-afdelingen waar metaalbewerking wordt onderwezen. Vorige week vierde de stichting dat het tweehonderdste convenant met een VBO-school werd gesloten waarin afspraken zijn neergelegd over onder meer de inrichting van de praktijklokalen en het leerplan. De school die zo'n convenant ondertekent kan op tienduizend gulden rekenen van de Stichting Oom en het Ministerie van onderwijs legt daar nog eens veertigduizend gulden bij. De metaalafdeling van het Gemini College in Ridderkerk gaat door voor een modelafdeling. Een grote, hoge ruimte met in het midden een door glazen wanden afgescheiden theorielokaal, waar een twintigtal jongens een schoolonderzoek zit te maken. Bart van den Berg, docent metaaltechniek, wijst naar 'zijn' afdeling waar de machines staan om te leren draaien en frezen. Ook een computergestuurde draaibank maakt tegenwoordig deel uit van de inventaris. Maar voor de rest zijn de robuuste metaalbewerkings machines ten minste 25 jaar oud en onlangs geheel gereviseerd. “Want”, zegt docent Van den Berg, “in feite is er de afgelopen jaren aan basisvaardigheden in de metaal niet echt veel veranderd.”

Het andere deel van de praktijkruimte wordt ingenomen door de afdeling lassen, waar collega De Winter de scepter zwaait. Vroeger waren de theorie- en de praktijklokalen van elkaar gescheiden. “Nu brengen de jongens hier in deze ruimte achttien uur per week door”, zegt Van den Berg. “Theorie- en praktijkvakken lopen vanzelfsprekender in elkaar over.” Hoewel de docent metaalbewerking al 31 jaar voor de klas staat en nog twee jaar te gaan heeft op het Gemini College kan hij vol enthousiasme vertellen over de vernieuwing van zijn metaalafdeling. “De oude school waar we in zaten, was op het laatst een bouwval. Ik kan me voorstellen dat ouders geen zin hadden om daar hun kind heen te sturen” aldus Van den Berg. “In dit lokaal is zo'n 60.000 gulden geïnvesteerd. Tienduizend was afkomstig van de Stichting Oom. Daar kun je net een paar knappe computerprogrammaatjes van kopen.” Over de vernieuwing van het leerplan is de docent ook zeer te spreken. Hij legt een stapel van elf boeken op tafel om te laten zien dat wat de jongens nu leren een stuk aantrekkelijker en efficiënter is dan voorheen. “De leerstof voor twee jaar is opgedeeld in elf modules en alle overbodige ballast is eruit gegooid. Door die modules kunnen de leerlingen meer in hun eigen tempo werken.”

De veelgehoorde kritiek dat het VBO te theoretisch is geworden en de leerlingen te weinig gelegenheid biedt om met hun handen te werken deelt Van den Berg maar ten dele. “Aan de verheerlijking van de oude ambachtsschool doe ik niet mee”, laat hij weten. “Toen stonden jongens soms een hele week te vijlen. Maar inderdaad, voor een bepaalde categorie leerlingen is dit programma nog te cognitief.”

De Stichting Oom mag er met convenanten, nieuwe leerplannen en financiële bonussen van alles aan doen om het metaalonderwijs beter te laten aansluiten op de beroepspraktijk, Ilja Aussems moet toegeven dat nog lang niet alle scholen zo ver zijn als het Gemini College. Ook André van der Leest, beleidsmedewerker onderwijs van de Metaalunie en secretaris van de Stichting Oom vindt dat er nog veel moet gebeuren. “Het metaalonderwijs loopt zo'n tien tot vijftien jaar achter op de beroepspraktijk, de overheid heeft op dit punt heel wat steken laten vallen.” De huidige bewindslieden vinden het beroepsonderwijs niet interessant, is zijn indruk. “Ze steken liever geld in het basis- en voortgezet onderwijs.” Er moet volgens Van der Leest op grote schaal worden geïnvesteerd in de deskundigheid van docenten, in de outillage van vaklokalen en ook de instroom van leerlingen moet in aantallen en kwaliteit omhoog. Het Gemini College heeft wat hem betreft 'een stapje in de goede richting gezet', maar het loopt nog steeds tien jaar achter. “Op een school hoeft niet dezelfde apparatuur te staan als in een bedrijf, maar leerlingen moeten wel kennis kunnen maken met de nieuwste technieken.” Ook de contacten tussen school en bedrijfsleven moeten beter, vindt Van der Leest. “Docenten komen te weinig in bedrijven, maar de bedrijven laten zich ook te weinig aan het onderwijs gelegen liggen.” Hij vraagt zich af waarom iemand als Van Rooijen niet op een school wordt uitgenodigd om over zijn plaatwerkerij te vertellen en waarom leerlingen vervolgens niet bij hem in het bedrijf komen kijken. “Daar kan een docent toch in geen weken tegen op lullen?” Van Rooijen knikt instemmend. “De metaal is moeilijk over het voetlicht te brengen bij die jongens, ze willen allemaal vrachtwagenchauffeur worden, want daar kunnen ze zich iets bij voorstellen.”

    • Michaja Langelaan