GEN VOOR RECHTS (2)

In zijn column 'Een gen voor rechts' (W&O, 11 oktober) zet Piet Borst zijn collega Amar Klar in het zonnetje. Klar, meldde Borst, bedacht een genetische verklaring voor rechts- en linkshandigheid op basis van één enkel handigheidsgen, dat al dan niet actief is. In het eerste geval is het individu rechtshandig, in het tweede blijft de 'handigheid' onbestemd.

Borst doet voorkomen dat Klar daarmee het ei van Columbus gevonden heeft, maar daar valt toch heel wat op af te dingen.

Ten eerste is de grondgedachte, een enkele erfelijke factor die ofwel rechtshandigheid afdwingt, of zich volledig koest houdt, niet van Klar maar van de Britse onderzoekster Marian Annett. Klar laat dat in zijn artikel, waaruit Borst citeert, ook wel doorschemeren. Dat zij om goede redenen niet van een 'gen' spreekt, maar van een onbestemder 'right shift factor', doet aan haar 'moederschap' niets af.

Verder zijn Klars fraaie gegevens het uitsluitend product van zijn definitie van (links-)handigheid, ontleend aan een studie van Rife uit 1940: alleen absoluut 'zuivere' rechthandigen tellen als rechthandig, iedereen die ook maar iets met links doet, wordt als 'linkshandig' geteld. Het enige argument dat hij voor die merkwaardige keuze geeft, is dat “sommige onderzoekers in het veld het erover eens lijken”, dat Rife de beste diagnostische criteria en definitie hanteerde. Dat klopt wat Rifes criteria betreft (Rife vermeed terecht activiteiten die, zoals schrijven, aan sterke sociale druk onderhevig zijn), maar zeker niet wat betreft de definitie (wie niet 100 procent rechts scoort, is linkshandig). Met name Annet zou daar grote moeite mee moeten hebben. Dat zo'n definitie goed past bij het genetische één-locusmodel dat Klar voorstaat, mag uiteraard geen argument zijn. Dat zou immers begging the question zijn.

Ten slotte meldt Borst namens collega Klar dat dieren geen pootvoorkeur hebben. Ook dat is twijfelachtig. Klar noemt zelf het werk van Collins uit 1969, die zeer consistente en krachtige pootvoorkeuren bij ratten vond bij het graaien naar voedsel. Collins vond dat de beestjes soms zelfs na verlamming van de voorkeurspoot niet tot actie met de overgebleven poot te bewegen waren. Wel is in dit en andere experimenten de verdeling naar voorkeur over dierenpopulaties, anders dan bij mensen, willekeurig gebleken (25 procent links, 25 procent rechts, 50 procent geen merkbare voorkeur), en is het onmogelijk om op pootvoorkeur te kweken. Genetici horen dat begrijpelijkerwijs niet graag, maar om dan maar te concluderen dat dieren 'dus' geen pootvoorkeur hebben, zoals Klar doet, is wel heel kort door de bocht.

Naschrift Piet Borst:

De kern van mijn column was dat rechtshandigheid bij de mens niet puur toeval is of uitsluitend aangeleerd, maar dat daar een erfelijke aanleg in meespeelt. Die aanleg lijkt samen te hangen met de localisatie van het spraakcentrum in de hersenen. Dieren kunnen wel een pootvoorkeur hebben, ook Klar ontkent dat niet, maar bij die voorkeur lijkt aanleg geen rol te spelen. Dat Klar met zijn model voortborduurt op het werk van andere genetici stond ook in mijn column. Dat Klar zwaar leunt op het werk van Marian Annett ben ik met Smits eens, maar Klar zelf denkt daar anders over, zoals hij mij in één van zijn brieven heeft laten weten. Voor de lezer van deze krant leek mij dat niet zo interessant.

    • Rik Smits Amsterdam