Flor de caña

Wegkijken. Volgens J.J. Voskuil kijkt iedere vleeseter weg van het leed in varkensstallen. Uitgaand Nederland kijkt weg als Justus, Joes en Meindert worden doodgeslagen. En Leon de Winter meent dat de hele wereld wegkijkt van het verdriet in Bosnië. En ik? Ik zit aan een strand in Midden-Amerika en kijk weg als voor mijn ogen een vrouw verdrinkt.

Corintho, Nicaragua. Op het amper vijf meter smalle strandje liggen olie, roestige vaten en een dode hond. De lucht is zwaar van tropische regenwolken. Zweet stroomt over mijn rug. Onder het afdakje van plastic en bananenbladeren roken drie jongens in schommelstoelen sigaren. Ik neem het enige tafeltje. Vette golven slaan kapot op betonblokken.

De waardin brengt een kwart liter Flor de caña. Ik haal pen en papier uit mijn tas en wil aan mijn brief beginnen als plotseling de hoer naast me staat. Een te strakke spijkerbroek spant om haar schonkige lijf. Ze stinkt naar alcohol en goedkoop parfum. Een hand met brokkelige, roze nagels omklemt de rand van mijn tafel. Ze lacht schaterend, laat de tafel los, wankelt voorover, hervindt haar evenwicht, schopt haar slippers uit en loopt langs het ontbindende kadaver van de hond de golven in. Om de poten van het dode beest zit een kluwen ijzerdraad. Vermaak van de plaatselijke jeugd, het plezier om een straathond in het schuimende zeewater te zien verdrinken. Eerst leek het nog alsof de hond op het strand lag te slapen. Pas toen de branding het bruine lijf omspoelde, optilde en dichter naar de waterkant sleurde zag ik de open ogen en de omwonden poten.

Hoongelach begeleidt de watergang van de dronken vrouw. In de deuropening van een uit karton en golfplaten opgetrokken hut staan de mannen die zonet van haar diensten gebruik hebben gemaakt. Theatraal wuift de hoer naar de mannen maar verliest dan haar evenwicht, draait om haar as en gaat kopje onder. Dan vindt ze houvast aan een betonblok, krabbelt overeind en krijst van angst. De mannen bulderen, de waardin schuddebuikt. Het T-shirt van de hoer slaat voor haar gezicht, twee grote borsten deinen op het zilverkleurige water. De mannen zien mij, wijzen naar de halfnaakte vrouw, bewegen hun duimen omlaag en maken snijbewegingen langs hun halsslagader. Una puta roepen ze, en kijken met half dichtgeknepen ogen hoe de hoer in het schuimende water grip probeert te houden op haar betonblok.

Van achter mijn schrijfblok beraam ik een reddingsplan. Als ze door de golven wordt meegesleurd, of langer dan tien tellen onder water blijft, ga ik haar halen. Mijn kleren, portemonnee en horloge zal ik op hoop van zegen aan de waardin toevertrouwen. Voorlopig wacht ik af. De mannen zijn weer in hun hut verdwenen, de waardin grijnst naar me, de hoer schreeuwt. De dode hond ligt nu op zijn rug, de tanden bloot, zijn lichte buik kwetsbaar. Een bliksemschicht schiet over het water, de eerste druppels vallen. De schommelstoelen zijn leeg en bewegen in de wind, het strandje is verlaten. Plots krijgt de hoer een naam. Marcia roept de waardin en tilt haar hand in een drinkgebaar naar me op. Een golf tilt Marcia van haar blok, met een wanhopige schreeuw tuimelt ze achterover. Ik knoop het bandje van mijn horloge los, maar Bacchus lijkt het met Neptunus op een akkoordje te gooien want in twee, drie golven wordt de drenkelinge op het smerige strand vlak voor mijn voeten gespoeld. Haar T-shirt is weer omhoog geslagen. Haar witte buik, opgestuwd door haar jeans, schommelt op de maat van haar huilen. Het lompe lijf, de met zand besmeurde borsten, het grienende gelaat, geobsedeerd zit ik te kijken. Haar weke weerloosheid stoot me af, maar haar tepels, obsceen wijzend naar de regenwolken, veroorzaken een voyeuristische sensatie in mijn maagstreek.

Dan ziet Marcia de hond. Geschrokken probeert ze overeind te komen. Op handen en voeten kruipt ze naar de hond in de veronderstelling dat hij op het punt staat te verdrinken. Ze pakt het kadaver bij een uit de kluwen losgeraakte achterpoot en begint hem uit de branding te trekken. De mannen zijn weer uit hun hut gekomen en slaan het macabere tafereel met een fles rum in hun hand gade. Vertwijfeld probeert Marcia het dier tot leven te wekken. Ze praat tegen hem, neemt hem in haar armen, klopt op zijn nek, wrijft over zijn snuit, tracht de poten uit het ijzerdraad te bevrijden en aait de lichte buik tot de zinloosheid daarvan tot haar door begint te dringen.

De regen ruist op het dak van bananenbladeren. Ik heb nog geen woord op papier gezet. Voor het eerst kijkt de hoer nu naar mij. Ze laat de hond los, trekt haar shirt naar beneden en probeert met een gebaar van achteloosheid op te staan. Ze valt, staat dan toch op haar benen en wankelt naar mijn tafel. Mijn hart slaat over. Meteen ruik ik haar stinkende adem. Haar bloeddoorlopen ogen proberen te lachen en haar lippen zeggen iets wat ik niet versta. Ze strekt haar handen, die even tevoren nog het hondenkadaver streelden, uit naar mijn gezicht.

Walging golft omhoog, ik wijk terug, kijk hulpeloos naar de waardin die met spottende ogen terugkijkt. Marcia's hand raakt mijn wang, mijn lippen, ik spuw, sta struikelend op, gooi mijn stoel omver en wrijf mijn mond schoon met speeksel. Geschrokken wijkt de hoer terug, haar gezicht in een grimas van onbegrip. Marcia queda en paz... laat hem met rust, zegt de waardin, waarop Marcia, bevangen door waanzin, begint te lachen, haar hoofd achterover werpt en met haar handen in de lucht opnieuw de branding in loopt.

De wind stuwt het water hoog op, de regen raast over het dak, de palmbladeren en het vuile zand. De mannen hebben zich weer in de hut teruggetrokken en Marcia is al tot haar oksels in zee verdwenen. Ik schuif mijn schrijfblok, mijn halflege fles Flor de caña en mijn glas naar de overkant van de tafel, sta op en ga met mijn rug naar het water zitten. Ik kijk weg. Ik wil Marcia niet zien verdrinken.

    • Ralf Bodelier