Een luxepaard met modder op de kuiten

Zijn vader Rein was een wielrenner die het stuur krom trok. Voor Richard Groenendaal (26) is veldrijden een vorm van schoonheid. De beste Nederlandse crosser rijdt morgen voor eigen publiek. 'Bij ons in Gestel.'

SINT MICHIELSGESTEL, 22 NOV. Wie was Sint Michiel naar wie zijn Brabantse dorp is vernoemd? Richard Groenendaal kent elke straatsteen in zijn woonplaats, maar van de aartsengel Michael heeft hij nog nooit gehoord. “Gestel is een boerendorp met een oud klooster en een blindeninstituut. Tegenwoordig heb je steeds meer forenzen, maar het karakter verandert weinig. Ik heb onlangs een huis gekocht, helemaal aan de andere kant. Veel renners trekken naar België, maar voor die paar rotcenten ga ik daar niet in mijn eentje zitten koekeloeren.”

Wielrenners komen van oudsher uit kleine gemeenschappen waar de liefde voor het boerenland vanzelfsprekend is. Veldrijders zijn wielrenners van de oude stempel. Besmeurd door de modder, besmet door een virus dat nauwelijks meer van deze tijd lijkt. Wie een internationale wielercross bezoekt, kan zijn oog laten vallen op oude, vervallen campingbusjes uit het voormalige Oostblok. Het zijn de kleedkamers en de vervoermiddelen voor de Poolse, Tsjechische en Slowaakse veldrijders. De concurrenten van Groenendaal beginnen met een grote achterstand. Ze zijn al moe als ze aan de start verschijnen.

“Veldrijden is een professionele sport maar tegelijkertijd ook heel amateuristisch. Dat is de charme van het crossen. Met 25 coureurs trekken we heel Europa rond. Ik heb drie mannen die altijd voor me klaar staan. Mijn vader en twee vrienden verzorgen het materiaal. Emmers, banden, hometrainer, noem de hele zooi maar op. Zij rijden duizenden kilometers in een paar dagen tijd. Die mannen gaan in principe zonder portemonnee van huis. Ze delen in de winstpremie en krijgen aan het eind van het jaar een extraatje. Als ik ze een salaris moest betalen, hield ik geen cent meer over. En als ik zelf met een camper moest gaan rijden, was het gauw gedaan met de ereplaatsen. Een vliegtuig is een stuk relaxter.”

Reinier Groenendaal is de steun en toeverlaat voor zijn zoon. De kleine man met de rode snor ontbeerde het wielertalent van Richard. Hij baggerde op karakter door de bossen, zoals hij nog elke werkdag als stucadoor door het slijk gaat. Reintje was een begrip in Brabantse wielerkringen. Hij vocht verbeten duels uit met Hennie Stamsnijder, de lange Tukker die bijna altijd sneller was. De onderlinge rivaliteit heeft zelfs tot vechtpartijen onder suporters geleid. Ondertussen had de jonge Richard meer oog voor een stilist uit België.

“Roland Liboton was voor mij de perfecte crosser. Ons pa was meer een doodgewone sjouwer. De mensen hier in het dorp gingen door het vuur voor dat manneke. Hij was altijd op stap, hij had een grote vriendenkring en hij was bouwvakker niet te vergeten. De mensen wilden zich graag aan hem spiegelen. Mij beschouwen ze meer als luxepaard, hoewel ik misschien nog wel meer voor mijn sport over heb. Ik heb geen tijd om in de kroeg te zitten.”

Richard Groenendaal fietst op souplesse, maar hij kan zichzelf ook “helemaal binnenstebuiten rijden”. Dit seizoen is hij bijna onverslaanbaar. Hij won zeven koersen in drie weken tijd. De lucratieve overwinningen vormen een aardige compensatie voor de Spartaanse werkomstandigheden. Vandaag rijdt hij in Praag, morgen verschijnt hij in Sint Michielsgestel aan de start. “Een voetballer zou zich dood schrikken met zo'n programma, maar die rijdt ook geen Tour de France. Als ik die beelden van het Nederlands elftal zie, met die eindeloze wandelingen op het strand, moet ik altijd een beetje lachen.”

Hij noemt veldrijden een pure vorm van topsport. “Als je wint hoef je niemand te bedanken.” Volgens Groenendaal is juist de afwisseling zo fascinerend aan het crossen. “Wij trainen op de weg, in het veld, met fitness, met hardlopen. Wij koersen in de modder, in de sneeuw, in het zand, in de bergen. Als het parcours droog en vlak is, moet je altijd boven je eigen tempo rijden. Dan heb je een dag buikpijn van het afzien. Bij een zwaar parcours kun je in je eigen tempo rijden, zeker als je beter bent dan de rest. Veldrijden is een kwestie van pure snelheid. Elke keer die tempowisselingen: lopen, staan, zitten. Veldrijden is makkelijk in de kop. Verveling komt niet in ons woordenboek voor.

Bij Rabobank zijn Adri van der Poel en Richard Groenendaal de vreemde eenden in de bijt. Ze rijden een beperkt programma op de weg en bezorgen de sponsor veel publiciteit in de wintermaanden. De 38-jarige Van der Poel en de 26-jarige Groenendaal zijn behalve ploegmaten ook concurrenten. Twee jaar geleden moest manager Jan Raas hoogstpersoonlijk ingrijpen, toen zijn werknemers elkaar via de pers bekritiseerden. De onderlinge verhoudingen zijn sindsdien verbeterd. Er is sprake van wederzijds respect. Maar de eigenwijze Groenendaal zal altijd voor zijn eigen kansen rijden.

“Anders kun je beter meteen stoppen. Je kunt elkaar met crossen wel een handje helpen, maar het ploegenspel is minder belangrijk dan op de weg. We proberen elkaar niet in de wielen te rijden. We rijden alleen tegen elkaar als we met z'n tweeën voorop zitten. Als Adri zich beter voelt dan ik - en dat zien we gauw genoeg van elkaar - hoef ik maar te knikken en dan weet hij hoe de verhoudingen die dag liggen. Ik beschouw hem als een goede collega, wat er ook over ons geschreven wordt. Moet ik hem dan soms met kerst thuis gaan opzoeken? Ik kom bij geen enkele wielrenner over de vloer.”

Van der Poel werd pas op 36-jarige leeftijd wereldkampioen. Met die voorkennis heeft Groenendaal nog een half wielerleven om de felbegeerde regenboogtrui in de kast te hangen. Gezien zijn sterke seizoensstart is hij over drie maanden bij het WK in Denemarken de grote favoriet. Of is hij weer te vroeg in vorm, zoals de afgelopen jaren regelmatig het geval was? “Gokken op die ene zondag in februari is veel te riskant. Je kunt niet vier maanden op hetzelfde niveau presteren. In de winter word je vaker ziek en lig je meteen een paar weken achterop. Als je verkouden wordt, kan dat maar beter in november gebeuren. Vorig jaar werd ik begin januari grieperig. Toen kon ik meteen een kruis door die trui zetten.”

    • Jaap Bloembergen