Dwingelandij van het nut; 19de-eeuwse natuurwetenschap zocht emancipatie

Op dinsdag 25 november is de studiedag 'Van Instituut tot Akademie. Overheid en wetenschap rond 1850'. Plaats: KNAW, Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam. Aanvang: 10 uur. Inlichtingen: 020-5510733.

De natuurwetenschapper van de 19de eeuw wilde zijn innerlijke drang naar zuivere kennis de ruimte geven. Maar de weg van nuttigheidsnajager tot cultuurdrager was lang.

'EEN HELEBOEL ontwikkelingen in de natuurwetenschappen zijn pas in de negentiende eeuw op gang gekomen”, zegt prof.dr. R.P.W. Visser, wetenschapshistoricus te Utrecht en sinds kort één dag per week Teylers-hoogleraar in Leiden. “Waar ik bezwaar tegen maak is de bijna Olympische positie die de Wetenschappelijke Revolutie van de zeventiende eeuw traditioneel inneemt. Die zou het begin zijn, alles daarna - tot de radicale ommezwaai van relativiteitstheorie en quantumtheorie - was slechts een uitvloeisel en lag eigelijk al in de benadering van Newton besloten. Niet dat ik de zeventiende eeuw uit het historiografische beeld wil bannen, maar eenzijdig is het wel.”

In zijn inaugurele rede, Ideaalbeelden van de Nederlandse natuurwetenschap, bespreekt Visser de positie die de negentiende-eeuwse natuurwetenschapper innam - en graag wilde innemen. Vertrekpunt is de voordracht die J.H. van Swinden, Nederlands meest vooraanstaande wis- en natuurkundige uit die tijd, in 1808 hield ter gelegenheid van de oprichting van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten (de voorloper van de Akademie van Wetenschappen). Collega-onderzoekers, aldus Van Swinden, moesten zich vooral inspannen om nieuwe feiten en theorieën voort te brengen, “in en voor haar zelve, en uit hoofde van het wezenlijk genoegen.” Daarmee brak hij een lans voor wat later 'zuivere wetenschap' zou gaan heten.

Koning Lodewijk Napoleon, als initiatiefnemer tot de stichting van het Koninklijk Instituut bij de openingsvoordracht in Amsterdam aanwezig, was not amused. Visser: “De natuurwetenschapper werd verondersteld bij te dragen aan de bloei van de handel, industrie en landbouw. En aan de godsdienst. Adriaan van den Ende, lector in de proefondervindelijke wijsbegeerte bij Teylers, vond kennis van God het belangrijkste dat natuurwetenschappers de mens te bieden hadden. Hoe sterk de eis tot nut was bleek toen Lodewijk Napoleon de natuurwetenschappers, verenigd in de eerste klasse van het Koninklijk Instituut, kapittelde vanwege hun plan een prijsvraag uit te schrijven over een zuiver wetenschappelijk onderwerp. Gezien de economische malaise waarin het land verkeerde was dat ongepast.”

De Utrechtse fysicus Gerard Moll, de Leidse zoöloog Jan van der Hoeven en vooral de Rotterdamse botanicus Friedrich Miquel gingen een stap verder dan Van Swinden. Zij wilden van toepassingen niets weten en zagen de eis tot nut als dwingelandij. Miquel sprak over “dien ellendigen, alles goeds uitdoovende geest, om de Wetenschappen slechts als een middel tot maatschappelijk bestaan te gebruiken, waaronder veelal niets anders verstaan wordt, dan het bezit van materiële behoeften des levens, zonder hoogere en edeler bedoelingen voor zich en zijnen evennaaste”. In het Koninklijk Instituut vond de boodschap buiten de eerste klasse weinig weerklank. De letterkundige M.C. van Hall plaatste een scherpe aanval waarin hij zei dat men pas een verdienstelijk lid van het Instituut kon zijn als men zich verre hield van “overdenkingen en navorschingen, die geene andere dan de ijdele waarde hebben, dat zij aan duistere en moeijelijke, maar tevens geheel nuttelooze, onderwerpen zijn besteed”.

CLAIMS

Wat bewoog Van Swinden en consorten? Visser: “In de eerste plaats wilden ze zich afzetten tegen de claims die de overheid op hen legde. Wie betaalt bepaalt, redeneerde de staat, aan andere dan nuttige wetenschappelijke activiteiten hebben wij geen boodschap. De rede van Van Swinden richtte zich voor een deel op de overheid: steun de zuivere wetenschap, daar heb je het meeste baat bij. Het was een beklemmende gedachte van de koning van Holland per oekaze te vernemen dat alleen nut telde en dat er verder niet gezeurd moest worden.”

Tegelijk was zuiverheid een mooi criterium waarmee de onderzoeker zich van zijn collega's aan de opkomende Polytechnische Hogeschool in Delft en Landbouwhogeschool in Wageningen kon onderscheiden. Ook streefde Van Swinden naar een culturele emancipatie van de natuurwetenschap. Nu werd het beschavingsideaal gedragen door alfa's als de Leidse rechtsgeleerde Kemper, volgens wie natuuronderzoek hoogstens de vlijt bevorderde maar geen betekenis had voor de verheffing van de geest. Het gymnasium legde in zijn curriculum onverminderd het accent op de klassieken en had aan de natuurwetenschappen geen boodschap.

In de tweede helft van de negentiende eeuw vond de gedachte dat een geletterd mens niet buiten kennis van de natuur kon enige weerklank. Een belangrijk instrument was het in 1852 opgerichte populair-natuurwetenschappelijke tijdschrift Album der Natuur, “ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand”. De eerste hoofdredacteur, de Utrechtse dierkundige Pieter Harting, was een sciëntist in hart en nieren. Onophoudelijk hield hij zijn lezers - en toehoorders - voor dat de denk- en werkwijzen van de natuurwetenschapper onontbeerlijk zijn voor een geciviliseerde samenleving. De natuurwetenschapper verdiende een plaats in de voorste gelederen van de cultuurdragers, aldus Harting. Visser: “Uit het feit dat het tijdschrift De Gids een vooraanstaand natuurwetenschapper in zijn redactie opnam, spreekt erkenning voor dit standpunt. Maar tegelijk haakte het katholieke volksdeel in 1859 voor lange tijd af toen Darwin zijn verderfelijke evolutieleer presenteerde.”

BIJEENKOMST

De visie op natuurwetenschap als cultuurgoed bij uitstek was krachtig aanwezig binnen het in 1887 naar Duits voorbeeld opgerichte Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres. Visser: “Het was een nomadisch, ambulant genootschap dat eens in de twee jaar een bijeenkomst organiseerde, meestal in een universiteitsstad. Het verenigde alle geïnteresseerden op het gebied van natuurwetenschap en geneeskunde. Ballotage was afwezig, iedereen was welkom. In de bloeitijd, in de jaren 1890-1900, waren zo'n 1200 à 1300 mensen lid van het Congres, een gigantisch aantal. In de eerste plaats waren dat wetenschappers. Lorentz, Zeeman, Hugo de Vries, Van der Waals: iedereen die iets voorstelde was er. Verder leraren, apothekers en andere belangstellenden. 'Grenswetenschappen' zoals de fysische chemie van Van 't Hoff voeren er wel bij, voor onderzoek op zulke gebieden was het Congres een uiterst vruchtbare omgeving.”

De spektakelbijeenkomsten, die doen denken aan wat de Britse en Amerikaanse Association for the Advancement of Science nog altijd jaarlijks organiseren, waren gesplitst in secties. Visser: “Terwijl het Album der Natuur vooral wetenschappelijke feitelijkheden van twintig jaar oud bracht, kon je op het Congres bij de nieuwste proefnemingen uit de universitaire laboratoria aanschuiven. Heet van de naald presenteerden coryfeeën als Beijerink en Kamerlingh Onnes er hun laatste resultaten. Natuurlijk was het leuk en nuttig elkaar allemaal weer eens te zien, maar typerend is toch de oprechte populariseringsdrang die veel vooraanstaande Nederlandse wetenschappers voelden. Na de Eerste Wereldoorlog is het Congres ingezakt, al schijnt het nog steeds te bestaan.”

Vooral de HBS van 1863 en de Hoger Onderwijswet van 1876 betekenden voor de natuurwetenschappen in Nederland een stimulans. Er kwam geld voor goed geoutilleerde laboratoria, wetenschap was niet langer beperkt tot een kabinet waar de hoogleraar collegeproeven voorbereidde. Visser: “In een periode van veertig jaar is men uit een diep dal naar grote hoogten geklommen, culminerend in een half dozijn Nobelprijzen. Hoe heeft die bloeiperiode, die Tweede Gouden Eeuw, precies kunnen ontstaan, is dan de fascinerende vraag. Dat proces valt pas te reconstrueren als veel detailstudies zijn afgerond, als Lorentz en Kamerlingh Onnes hun eigen monografieën hebben. Centraal moet staan de cognitieve kant, maar daarnaast is het interessant te zien hoe wetenschappers en wetenschap in breder verband functioneren, welke uitstraling ze als culturele kracht hebben gehad. Ook al heeft nog niet iedere heilige zijn kapelletje, een brede, leesbare studie over de Nederlandse negentiende-eeuwse natuurwetenschap zou zeer welkom zijn. Zo'n synthese zou de visie kunnen uitdragen hoe fascinerend en leuk wetenschap kan zijn. Na lezing moet je het gevoel krijgen dat een cultuur zonder natuurwetenschap toch een geamputeerde cultuur is.”