Drie jaar Borst

DRIE JAAR LANG heeft minister Borst van Volksgezondheid de wind mee gehad. Haar verschijning was een verademing. Eindelijk een bewindspersoon die zei waar het op stond. Nederland had weer een volwaardige minister op Volksgezondheid, de eerste sinds Stuyt in die twee magere jaren van het kabinet-Biesheuvel (1971-73). Een minister bovendien die wist waarom het ging.

Juist omdat Borst de medische wereld als haar broekzak kende, ging ze omzichtig te werk: geen grootse plannen, maar kleine stapjes, geen openlijke conflicten, doch diplomatieke compromissen. Dat alles indachtig haar eigen adagium dat de “minister nu eenmaal niet de baas is” omdat er in de gezondheidszorg, die traditiegetrouw in particuliere handen was en is gebleven, heel veel “regisseurs” rondlopen.

Dankzij deze op persoonlijke ervaring gestoelde politieke terughoudendheid heeft Borst een aantal successen kunnen boeken. Relatief geruisloos wist ze een machtsstrijd in de ziekenhuizen tussen de medische specialisten en de managers in de kiem te smoren. Iets luidruchtiger bleek ze in staat de farmaceutische sector te bewegen tot een wat bescheidener prijsvorming, zij het dat de laatste schermutselingen nog niet zijn beslecht. En bescheiden slaagde ze er in het groeipercentage in de 'zorgsector' voor de komende kabinetsperiode wat op te krikken. In de medische wereld zijn velen dan ook tevreden over haar, zo bleek deze week tijdens de behandeling van haar begroting in de Tweede Kamer.

MAAR DE WITTEBROODSWEKEN zijn al lang voorbij. Niet alleen omdat de vakminister sinds kort ook nog eens politiek leider is en in die rol komend jaar, als de voortekenen niet bedriegen, moet proberen D66 voor een electorale strafactie te behoeden. Ook haar ministerie zelf staat nu in het volle licht. Het zicht daarop is minder aangenaam dan we in 1994 hadden kunnen vermoeden. Het departement blijkt na drie jaar Borst het spoor bijster te zijn. Het organisatiebureau Twijnstra & Gudde heeft dat vastgesteld.

Dat Borst dit bureau te hulp riep, gaf op zichzelf al te denken. Ministers die externe bijstand nodig hebben, geven te kennen hun greep te hebben verloren. De analyse van Twijnstra & Gudde heeft dat beeld ook bevestigd: in Rijswijk staat een zoekend ministerie, waar de samenhang gering is, waar niet collegiaal wordt gewerkt en vooral op incidenten wordt “gestuurd”. Er is, in de woorden van een ambtenaar, sprake van een cultuur waarin vooral aandacht bestaat voor procedures, elkaar vliegen afvangen en goede maatjes blijven met het veld.

DE EERLIJKHEID gebiedt te zeggen dat minister Borst een onaantrekkelijke erfenis aantrof toen ze zich in 1994 als onervaren politica in Rijswijk meldde. Het departement werd net aan een modieuze reorganisatie onderworpen, die alle klassieke hiërarchische verhoudingen op hun kop moest zetten. Zo werd de functie van secretaris-generaal afgeschaft en vervangen door een bestuursraad. Bovendien had het ministerie het bewind van staatssecretaris Simons achter de rug, die met zijn mislukte 'plan' het financiële fundament onder de gezondheidszorg had willen vernieuwen.

Maar de wijze waarop Borst met deze boedel vervolgens is omgesprongen, is haar wel aan te rekenen. Haar personeelsbeleid is ongelukkig, zo blijkt uit de massale 'outplacement' die zich de laatste maanden in de top voordoet. Het gevolg daarvan is dat de ambtenaren op lager niveau, bij gebrek aan hiërarchische controle, het beleid nu domineren.

Dat werd voor het eerst duidelijk toen Borst dit voorjaar aan de Tweede Kamer moest uitleggen waarom de thuiszorg in het honderd was gelopen. Binnen vier maanden zou het weer op rolletjes lopen, beloofde de minister toen in een poging de kritiek te pareren. Zo niet, dan zou het zwaar weer worden. De vier maanden zijn nu ruimschoots voorbij. Maar de rolletjes zijn nog steeds onzichtbaar. Borst zegt nu daarom dat ze in de lente te optimistisch is geweest. Het blijkt plots te gaan om een heuse cultuurverandering die wel eens vier jaar zou kunnen gaan duren.

Tegen die tijd zal Nederland volgens sommigen te kampen hebben met een tekort aan huisartsen. Als die prognose klopt, is dat een weinig aanlokkelijk perspectief. De huis- en basisartsen staan immers in de frontlinie. Hun 'eerste lijn' is het kroonjuweel van onze gezondheidszorg. Daarom is het zo curieus dat Borst laconiek haar schouders ophaalt als deze dreiging aan de orde komt. Vraagt het 'veld' om meer opleidingsplaatsen en neemt het een dunnere spoeling op de koop toe - op zichzelf al uniek - en dan nog neigt ze eerder tot uitstel dan tot interventie.

MINISTER BORST zou er goed aan doen haar bescheidenheid iets te laten varen. Ze hoeft niet met haar vuist op tafel te slaan. Dat werkt niet in de medische gemeenschap met haar lange traditie van zelfregulering, die soms in de verte aan gildenvorming herinnert. Maar iets meer machtspolitiek bedrijven, dat kan geen kwaad. Al was het maar omdat de zorgsector geen vrije markt is, maar een relatief gesloten branche die, als puntje bij paaltje komt, ervan verzekerd is dat de rekeningen worden betaald: door de burgers, voor wie de gezondheid al sinds jaar en dag op de eerste plaats komt, nog vóór hun materiële welzijn.

Haar klassieke electoraat zal daarvan wellicht opkijken, huiverig als het is voor ouderwetse politiek. Maar Borst kent beide werelden, die van de medici en die van D66, zó goed dat ze haar pragmatische inborst uiteindelijk toch wel zal behouden.